De Schreeuw (1893) – Edvard Munch

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

door: Sander Kletter en Kyra ter Veer
  

“Op een avond wandelde ik langs een weg – aan de ene kant lag de stad, onder me lag het fjord. Ik voelde me moe en ziek – ik bleef staan uitkijken over het fjord. De zon ging onder – de wolken waren rood getint als met bloed.
Het kwam me voor alsof de hele natuur aan het schreeuwen was – het was net of ik een schreeuw kon horen. Ik schilderde dat doek, schilderde de wolken als echt bloed. De kleuren schreeuwden. Het resultaat was ‘De schreeuw’ in ‘De Levensfries’.”

(bron: R. Stang, Edvard Munch, leven en werk, Amsterdam, 1979, p. 90). De schreeuw van de Noorse kunstschilder Edvard Munch behoort tot de iconen van de westerse kunstgeschiedenis van de moderne kunst.

Edvard Munch (1863-1944), De Schreeuw, 1893, olieverf, pastel en tempera op karton, 91 x 74 cm, Nasjonalgalleriet, Oslo
Edvard Munch (1863-1944), De Schreeuw, 1893, olieverf, pastel en tempera op karton, 91 x 74 cm, Nasjonalgalleriet, Oslo

De Levensfries, waar Munch in het openingscitaat naar verwijst, begon als een serie van zes werken onder de titel ‘Die Liebe’. De schreeuw maakte vanaf het begin deel uit van deze serie. Munch presenteerde de schilderijen voor het eerst samen in 1893 in Berlijn. Later betitelde hij de serie als ‘De Levensfries’. Hij voegde er in de loop van de tijd steeds weer nieuwe schilderijen aan toe. Regelmatig paste hij titels van de bijbehorende werken aan. Wanneer een van de schilderijen werd verkocht, maakte de kunstenaar een nieuwe versie, om zo De Levensfries intact te houden. Ook van De schreeuw bestaan verschillende versies. Tot aan zijn dood in 1944 bleef Munch meerdere versies maken van alle schilderijen, die hij tot De Levensfries rekende. Uit zijn briefwisselingen en dagboeken blijkt dat dit voor de kunstenaar de meest dierbare werken uit zijn oeuvre zijn.

“Ik bleef staan en leunde tegen de reling, halfdood van vermoeidheid. Boven het grijsblauwe fjord hingen de wolken, zo rood als bloed en als vlammentongen. Mijn vrienden verwijderden zich. Alleen en trillend van angst onderging ik de luide schreeuw van de natuur.”
(bron: R. Stang, Edvard Munch, leven en werk)

Angst en eenzaamheid behoren tot de terugkerende thema’s in het werk en het leven van Munch. Andere belangrijke thema’s zijn liefde, lijden en de dood, die in de visie van de kunstenaar onafscheidelijk met elkaar zijn verbonden.

“De levensangst heeft me achtervolgd sinds ik voor het eerst begon te denken.”
(bron: R. Stang, Edvard Munch, leven en werk).

Angst komt nadrukkelijk naar voren in De schreeuw. De gestalte met het holle, maskerachtige gelaat is naar de beschouwer gekeerd. De handen lijken de oren te willen beschermen, terwijl de opengesperde mond zelf lijkt te schreeuwen. De bloedrode, golvende lijnen in de lucht versterken de dramatiek. De nietsvermoedende figuren op de achtergrond benadrukken de eenzaamheid van de figuur op de voorgrond. De omgeving is ondanks het hoge abstractieniveau van het schilderij te herleiden naar een specifieke plek op het Nordstrand in Noorwegen. Verderop ligt de stad Oslo en de Holmenkollen-heuvel is herkenbaar. De houten reling op het schilderij is tegenwoordig nog gedeeltelijk op dezelfde plek terug te vinden.

Plaatsing in de kunstgeschiedenis

Stilistisch gezien gaat het doek mee met de meest recente stijlvernieuwing van zijn tijd. De toegepaste lange golvende lijnen in de lucht zijn een stijlkenmerk van de kunststroming art nouveau, of jugendstil, dat bloeide in de periode dat Munch dit schilderij schilderde. Het werk van Munch wordt in verband gebracht met de ontwikkeling van het symbolisme van de jaren negentig van de negentiende eeuw. Daarnaast wordt hij gezien als een voorloper van het expressionisme van de twintigste eeuw. Een ander schilderij dat net als De Schreeuw Munch zijn depressiviteit ademt en dat geschilderd is in expressionistische stijl is Zelfportret met een fles wijn uit 1906. Er zijn ook kunsthistorici, die Munch als een ‘einzelgänger’ beschouwen, als een van de individueel opererende kunstenaars rond 1900, die los van elkaar de weg bereiden voor het modernisme uit de eerste helft van de twintigste eeuw.