Postimpressionisme

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

De vruchtbare nasleep van het impressionisme


door: Sander Kletter
 
De term postimpressionisme werd in 1910 geïntroduceerd door de Engelse kunstcriticus en kunstschilder Roger Fry (1866-1934). Hij bedacht de stijlnaam in verband met een expositie in Londen van de toenmalige avant-garde uit Parijs. Fry wilde met de term aangeven dat de kunst van de exposanten een relatie had met het impressionisme, omdat het er uit was voortgekomen of omdat het er een duidelijke reactie op was.

Paul Cézanne, Stilleven met mand met appels, ca. 1895, olieverf op doek, 61.9 x 78.7 cm, Art Institute Chicago
Paul Cézanne, Stilleven met mand met appels, ca. 1895, olieverf op doek, 61.9 x 78.7 cm, Art Institute Chicago

Op de expositie in Londen, welke werd gehouden in de Grafton Galleries, was onder meer werk te zien van Cézanne, Derain, Gauguin, Van Gogh, Manet, Matisse, Picasso, Redon, Rouault en Seurat. De term postimpressionisme werd een term voor het werk van kunstenaars, die in de periode tussen het impressionisme en het in 1905 doorbrekende fauvisme werkten. Tenminste voor diegenen onder die kunstenaars, die als de nieuwe avant-garde konden worden beschouwd. Aangestoken door de gedurfde nieuwe beeldtaal van de impressionisten, experimenteerden deze kunstenaars met beeldelementen als vorm, lijn en kleur en met schildertechnieken. Ook expressie en nieuwe inspiratiebronnen met betrekking tot de inhoud van hun kunst behoorden tot hun interessegebied. Het kleurgebruik van de impressionisten was gedurfd ten op zichtte van het realisme. Postimpressionisten gingen fellere en meer heldere kleuren gebruiken. De kleur werd in sommige kunstwerken al losgekoppeld van de waargenomen realiteit. Van Gogh schreef dat hij 'kleur op een meer willekeurige manier ging gebruiken, zodat hij zichzelf krachtiger kon uitdrukken.'

Postimpressionisme staat vooral voor een tijdsperiode, maar niet voor een periode met een uniforme stijl. Binnen de vernieuwende tendensen in de post impressionistische periode, dat ongeveer tussen 1984 en 1905 kan worden gedateerd, zijn vier tendensen waarneembaar. Een algemene tendens is dat kunstenaars systematischer te werk gingen dan de impressionisten. Ze werkten minder improviserend. Ze gingen bijvoorbeeld uit van een vaststaande kleursymboliek. Opgemerkt kan worden dat enkele kunstenaars aan meerdere van de hieronder te bespreken tendensen een bijdrage hebben geleverd.

Vincent van Gogh, Korenveld met cipressen, oktober 1889, olieverf op doek, 73 x 92 cm, National Gallery, Londen
Vincent van Gogh, Korenveld met cipressen, oktober 1889, olieverf op doek, 73 x 92 cm, National Gallery, Londen

Vier vernieuwende tendensen

Allereerst is er een tendens, waarbinnen de nadruk komt te liggen op lijn en kleur in relatie tot expressie. Tot deze richting binnen het postimpressionisme kan onder meer het werk Van Gogh en Edvard Munch worden gerekend. Deze kunstenaars zijn voorlopers van het expressionisme, dat kort na de periode van het postimpressionisme ontstond.

Een tweede tendens bestaat uit het benadrukken van inhoudelijke symboliek en het abstraheren van vorm en kleur. Een voorganger in deze vernieuwende tendens is Paul Gauguin, die een stijl ontwikkelde, die hij het synthetisme noemde. Zijn experimenten, samen met die van de Nabis en de School van Pont-Aven kristalliseren uit in de stroming van het symbolisme.

Een derde tendens is het creëren van een beeldtaal, waarin penseelvoering, het opbrengen van verf en het verfoppervlak van een schilderij centraal komen te staan. Het gaat hier vooral om de schilders Georges Seurat en Paul Signac, waarvan de stijl door criticus Félix Fénéon werd aangeduid als neo-impressionisme, dat ook bekend staat als pointillisme of divisionisme. Seurat en Signac schilderden met kleine stippen of korte verfstreekjes in pure kleur.

De laatste tendens waarmee wordt geëxperimenteerd is een kritische reactie op het impressionisme, waarin de voorstelling van de wereld enigszins diffuus was geworden. Vorm moest weer tastbaarder worden in de schilderkunst. Paul Cézanne is de belangrijkste vernieuwer binnen deze tendens van het postimpressionisme. Zijn ambitie was om 'het impressionisme te verduurzamen, zoals de kunst in de musea'. Hij hield zich naast vorm bezig met de toepassing van verschillende perspectivische standpunten binnen een en dezelfde voorstelling. Hij was zich er namelijk van bewust dat tijdens het waarnemingsproces het lichaam en het hoofd van de kunstschilder steeds van positie veranderen. Samen met het hoofd verplaatsen zich automatisch ook de ogen, zodat de wereld steeds vanuit een licht verschoven standpunt wordt bekeken. Het schilderij Stilleven met commode uit 1883-87 is een voorbeeld van hoe hij deze vaststelling probeerde vorm te geven. Met zijn experimenten met een meervoudig perspectief binnen een schilderij is Cézanne de voorloper van het latere kubisme van Braque en Picasso.
 

Maurice Denis, Vrouw in het blauw, 1899, olieverf op doek, 37.5 x 33 cm, privécollectie
Maurice Denis, Vrouw in het blauw, 1899, olieverf op doek, 37.5 x 33 cm, privécollectie

De weergave van wat men ziet voorbij

Wat de genoemde tendensen als gemeenschappelijk kenmerk hebben is het streven om meer weer te geven in een schilderij, dan wat louter wordt waargenomen. Er is plaats voor het gevoel en voor persoonlijke interpretatie van de zichtbare werkelijkheid. Er wordt bovendien schilderkunstig gezien geëxperimenteerd met formele eigenschappen als vorm, kleur en compositie. Kunstenaars als Henri de Toulouse-Lautrec en Van Gogh lieten zich inspireren door de kalligrafische lijnen van de Japanse prentkunst, dat tijdens de (post)impressionistische jaren populair was in Parijs. Van Gogh zou in de laatste drie jaar van zijn leven een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkelingen binnen het postimpressionisme. De schilderkunst en toegepaste kunst van de Jugendstil, waarin het beeldelement lijn een dominante rol vervulde, inspireerde De Toulouse-Lautrec en andere kunstenaars van het postimpressionisme.

Met de richting van zijn penseelstreken probeerde de nog jonge Cézanne in zijn portretten van zijn oom de bouw van de schedel te benadrukken. De richting van de toets en de verfdikte van de individuele toets bleken een probaat middel om de dynamiek binnen een schilderij te beïnvloeden. Met dergelijke mogelijkheden werd door de kunstenaars van het postimpressionisme geëxperimenteerd. Cézanne ontwikkelde bijvoorbeeld zijn 'passage' techniek. Een consequent toegepaste gearceerde groep van verftoetsen, dat de ruimtelijkheid van het schilderij verminderde. Het bleek een manier om het tweedimensionale eigen karakter van een schilderdoek te benadrukken. Experimenten met de richting, dikte en dynamiek van de verftoets borduurden voort op de stijlperiode van de romantiek, toen kunstenaars hier al voorzichtig onderzoek naar hadden gedaan. Enkele postimpressionisten, zoals Gauguin en de Nabis, brachten de dynamiek van de verftoets in contrast tegenover grote egale kleurvlakken, waarin weinig op het gebied van de penseelvoering leek te gebeuren. Dergelijke contrasten zouden door kunstenaars van latere stromingen zoals het expressionisme, fauvisme en futurisme nog weer extremer worden toegepast.

Kunstenaars, die ook tot de periode van het postimpressionisme kunnen worden gerekend (voor zover deze niet genoemd) zijn onder andere: Emile Bernard, Pierre Bonnard, Maurice Denis, Ferdinand Hodler, Charles Laval, Paula Modersohn-Becker, Maurice Prendergast, Paul Sérusier, Theo van Rysselberghe, Maurice Utrillo, Suzanne Valadon en Édouard Vuillard.
 

SCHILDERIJEN POSTIMPRESSIONISME