Graffiti

1400+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

door Steven Kolsteren

Society’s Child
uit 1982 is gemaakt met spuitbusverf  door één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de graffiti in New York, Lee Quinones. Het werk laat zien dat graffiti niet alleen stilistisch, maar ook door de politieke boodschappen de kunstwereld probeerde op te schudden.

Lee Quinones, Society’s Child, 1982, acrylverf op doek, 360 x 301 cm, collectie Groninger Museum. (De afbeelding is ter beschikking gesteld door het Groninger Museum)
Lee Quinones, Society’s Child, 1982, acrylverf op doek, 360 x 301 cm, collectie Groninger Museum. (De afbeelding is ter beschikking gesteld door het Groninger Museum)

Een Portoricaan (een minderheid in de Verenigde Staten, waar de kunstenaar zelf toe behoorde) geeft zichzelf een shot drugs, losjes omgeven door de Amerikaanse vlag, wanhopig kijkend en met de gebalde vuist op de voorgrond. Achter hem is het donkere silhouet van het Vrijheidsbeeld zichtbaar. Voor deze junk is er geen vrijheid in zijn verslaving, maar ook niet in de maatschappij. Lee schilderde vele realistische figuren uit de achterbuurten, de slachtoffers van de Amerikaanse droom.
Net als Lee Quinones is ook Quik (Lin Felton) een belangrijke graffitikunstenaar. Hij vermengt sterke maatschappelijke betrokkenheid over de positie van de zwarten in de Amerikaanse samenleving met zeer persoonlijke boodschappen. Hoewel hij later in Groningen, Duitsland en Parijs ging wonen en werken, blijft New York voor hem zijn uitgangspunt. I am the smoke king, I am Black (zie afbeelding hieronder) uit 1982 is een voorbeeld van zijn vroege werk, met een eenvoudig cartoonesk portret en geschreven boodschap.

Quik, I am the smoke king, I am Black, 1982, lakverf op doek, 75 x 101 cm, collectie Groninger Museum. (De afbeelding is ter beschikking gesteld door het Groninger Museum)
Quik, I am the smoke king, I am Black, 1982, lakverf op doek, 75 x 101 cm, collectie Groninger Museum. (De afbeelding is ter beschikking gesteld door het Groninger Museum)

De verwijzing naar W.E.B. Dubois (1868-1963) is veelbetekenend: Dubois was één van de eerste Amerikaanse zwarte wetenschappers en strijder voor de rechten van zwarten; hij wordt ‘father of Pan-Africanism’ genoemd. Thankx Toddo!, eveneens uit 1982, gaat over Lins eigen emoties. De letters van zijn naam QUIK gaan over in een stripachtige figuur, omgeven door kleurige explosies en glitterlichtjes.
Lee en Quik gelden, samen met Seen en Blade, als de belangrijkste graffitischrijvers en kunstenaars; alle vier zijn zij nog steeds actief als beeldend kunstenaar.

New York en graffiti

Graffiti werd vanaf eind jaren zeventig aangebracht op metrotreinen en in openbare plekken in de stad. Vooral New York groeide uit tot bakermat van de beweging. In het overal en zo opvallend mogelijk aanbrengen van hun naam en logo, al of niet in combinatie met een cartoonachtige figuur, ontstonden zogenaamde "style wars" waarin individuen met stilistische vernieuwingen of krachtige boodschappen kwamen bovendrijven. De beeldtaal bouwt voort op reclame-uitingen, populaire stripfiguren en reclame. Met een nieuwe techniek van spuitbus werd een karakteristieke beeldtaal van snelle contouren en nevelachtige kleurvlakken ontwikkeld. Het medium van rijdende metrotreinen vormde een uitgelezen nieuw podium om zoveel mogelijk aandacht te krijgen. Dit werd versterkt doordat het schilderen illegaal was, en vaak ’s nachts gebeurde. Dat leidde van verzet tegen autoriteiten en verheerlijken van de eigen subcultuur. Door de onderlinge competitie werden de technische vaardigheden bevorderd.

Graffiti in Europa en de rol van het Groninger Museum

In het begin van de jaren tachtig werd graffiti in Europa gepresenteerd als nieuwe kunststroming, toen de belangrijkste schrijvers ook op doek en papier gingen werken. Via intermediairs als fotografen Henry Chalfant en Marta Cooper, videoclips en uiteindelijk verzamelaars en galeriehouders kwam graffiti ook in musea terecht, waarbij het Groninger Museum één van de voorlopers was.