Dadaïsme

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Een antireactie op de Eerste Wereldoorlog die tot nieuwe kunst leidde


door: Sander Kletter

De stijlnaam dadaïsme is afgeleid van 'dada', het stamelwoordje van een klein kind. Het is bedacht door de Duitse schrijver Hugo Ball, die tijdens de Eerste Wereldoorlog uit zijn vaderland vluchtte naar het neutrale buurland Zwitserland. Er bestaan meer theorieën over waar het begrip dada vandaan komt. Hoe, dan ook, het is sinds 1916 de aanduiding gebleven voor een groep beeldend kunstenaars en literatoren rondom Cabaret Voltaire in Zürich. Het wordt tevens gehanteerd ter aanduiding van enkele gelijktijdige en gelijksoortige ontwikkelingen in Barcelona, Berlijn, Hannover, Keulen, New York en Parijs.

Marcel Duchamp (1887-1968), L.H.O.O.Q. (Mona Lisa met snor), 1919, kleur-reproductie, 19.5 x 12.5 cm, Musée National d'Art Moderne, Parijs
Marcel Duchamp (1887-1968), L.H.O.O.Q. (Mona Lisa met snor), 1919, kleur-reproductie, 19.5 x 12.5 cm, Musée National d'Art Moderne, Parijs

Protest tegen schijnheilige beschaving

Het dadaïsme was een culturele beweging die tijdens de Eerste Wereldoorlog in het neutrale Zwitserland begon. Tussen 1916 en 1924 kent de stroming zijn belangrijkste periode. De aangesloten kunstenaars stelden zich ten doel om radicaal terug te keren naar hun eigen kinderlijke creativiteit. Ze streefden ernaar uitdrukkingsvormen toe te passen, die kinderen ook plegen te kiezen. Hun creaties druisten daardoor in tegen alle traditionele uitingsvormen van beeldende kunst. Het ging het dadaïsme erom de zinledigheid van de toenmalige wereld te benadrukken. Grote delen van Europa waren immers volledig ingestort als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. De kunstenaars van dada waren zo geraakt door die oorlog, omdat deze als snel was uitgemond in een zinloze eindeloze en buitengewoon wrede loopgravenoorlog, met miljoenen dodelijke slachtoffers. Hugo Ball schreef in 1915 in zijn dagboek: 'de mens wordt verward met een machine.' De dadaïsten bespotten tevens op brutale en schokkende wijze de bestaande situatie in de kunstwereld, dat ze rekenden tot dezelfde 'beschaafde' wereld als waar de oorlog uit voort was gekomen. De schijnheiligheid van de West-Europese beschaving moest eens goed onder de aandacht worden gebracht.

In de beeldende kunst pasten de dadaïsten bij voorkeur de collage en de assemblage toe. Het benutten van het toeval was een belangrijk creatief principe in hun kunstuitingen. Hans Arp bijvoorbeeld maakte abstracte composities van uit papier geknipte vormen. Hij liet de vormen willekeurig neer dwarrelen op een ondergrond en plakte ze vervolgens vast, waar de stukken papier waren gevallen. In de poëzie schreven de dadaïsten absurde gedichten vol onsamenhangende onzin, soms slechts bestaand uit pure klanken.

Het einde van dadaïsme en het surrealisme als nieuw begin

Het dadaïsme bloeide kortstondig in Parijs met een groot aantal exposities in het begin van de jaren twintig. Er ontstond onenigheid tussen André Breton en de Roemeense dichter Tristan Tzara, die wordt beschouwd als een van de initiatiefnemers en theoretici van het dadaïsme van het eerste uur. Na het conflict ging Breton ervoor zitten en bracht in 1924 zijn 'Premier manifeste du Surréalisme' uit,  waarin hij zijn ideeën over kunst uiteenzette. Het betekende het einde van de anarchistische stroming van het dadaïsme. De destijds weliswaar opzienbarende stroming wordt tegenwoordig daarom door velen beschouwd als een voorloper van het surrealisme. Ondanks de soms negatieve uitingsvormen en het afwijzen van beeldende esthetiek, heeft de dadaïstische beweging grote invloed gehad op de verdere ontwikkelingen in de geschiedenis van de moderne kunst. In de beweging van Fluxus, dat begin jaren zestig van de twintigste eeuw ontstond, leefde het idee van complete artistieke vrijheid en de waardering voor het irrationele voort. Pop art, dat in diezelfde tijd een bloeiperiode doormaakte, maakte net als het dadaïsme graag gebruik van banale motieven en bestaande industriële materialen. Kunstenaars van de stroming van de conceptuele kunst aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw, pasten in de geest van de dadaïsten vervreemdende combinatie van woord en beeld toe.
 

Raoul Hausmann (1886-1971), Tatlin thuis, 1920, fotomontage en gouache, 45 x 30 cm, Verzameling Hannah Höch, Berlijn
Raoul Hausmann (1886-1971), Tatlin thuis, 1920, fotomontage en gouache, 45 x 30 cm, Verzameling Hannah Höch, Berlijn

De belangrijkste Dadaïsten

De oorspronkelijke dada groep in Zürich bestond uit de Roemenen Tristan Tzara en Marcel Janco, de Elzasser Hans Arp, de Zwitserse kunstenares Sophie Taüber, de Duitsers Hugo Ball en Richard Hülsenbeck en de Nederlander Otto van Rees. Het was Tzara, die als eerste in zijn geschreven manifesten het begrip dada opvoerde. Ook de rest van de groep verspreidde op actieve wijze manifesten onder de willekeurig gekozen noemer van dada.

Tegelijkertijd was er aan de overzijde van de oceaan in New York een groepje kunstenaars met vergelijkbare kunstuitingen bezig. Het gaat in de eerste plaats om de Franse kunstenaar Marcel Duchamp, die omdat hij afgewezen was voor de Salon des Independants van 1912 in Parijs, was uitgeweken naar de Verenigde Staten. Hij oogstte er groot succes met zijn schilderij Nude Descending a Staircase no. 2 (1912). Hij exposeerde het op de Armory Show van 1913, de eerste groots opgezette internationale expositie van moderne kunst in de verenigde Staten. Naast Duchamp waren Francis Picabia, Walter Arensberg en Man Ray bezig kunstwerken te maken, die veel overeenkomsten vertonen met de Europese beweging van dada. Zij opereerden gezamenlijk in New York vanuit de galerie van fotograaf Alfred Stieglitz. De groep gaf het tijdschrift 291 uit. In 1917 ontstond er contact met de groep van Zürich. Vier jaar later gaven Duchamp en Man Ray een laatste nummer van 291 uit, getiteld New York Dada.

Na de Eerste Wereldoorlog verspreidde het gedachtegoed van de beweging zich verder over West-Europa. Berlijn en Parijs werden de nieuwe centra van dada. In Berlijn sloten kunstenaars als Johannes Baader, George Grosz, Raoul Hausmann en Hannah Höch zich aan. In Parijs was André Breton in eerste instantie de spil van het dadaïsme. Naast hem waren Louis Aragon, Philippe Soupault en Paul Eluard de actiefste Parijse dadaïsten. Buiten Berlijn en Parijs ontstonden verschillende dadaïstische eenmansinitiatieven. Kurt Schwitters creëerde in Hannover collages in de geest van dada onder de naam Merz, een kruising tussen het Duitse woord 'schmerz' en het Franse woord 'merde'. Hij maakte het van afval, dat hij van de straat opraapte. De in Keulen wonende en werkende kunstenaar Max Ernst, die bevriend was met Hans Arp, werd ook dadaïst. In Nederland was er ook sprake van een dadaïstische eenmansbeweging, gevormd door Theo van Doesburg.