Conceptuele kunst

1500+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Geïnspireerd op 'Fountain' van Marcel Duchamp


Van onze redactie

Joseph Kosuth, One and Three Chairs, 1965-66, houten klapstoel, foto van een stoel, en uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek, Larry Aldrich Foundation, Museum of Modern Art, New York
Joseph Kosuth, One and Three Chairs, 1965-66, houten klapstoel, foto van een stoel, en uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek, Larry Aldrich Foundation, Museum of Modern Art, New York

Conceptuele kunst kan vele vormen aannemen. Het kan gepresenteerd worden als installatie, in de vorm van een performance, als object, als foto of door middel van videokunst. De verschijningsvorm is voor conceptuele kunstenaars niet van primair belang.
De kunstbeweging kwam eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de twintigste eeuw opzetten. Kunstuitingen van de Amerikaanse pop art kunstenaar Robert Rauschenberg, performances van de Franse kunstenaar Yves Klein en acties van de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni droegen bij aan de stormachtige ontwikkeling van conceptuele kunst. Legendarisch is Socle du Monde van Manzoni uit 1960. Maar de belangrijkste inspiratiebron was toch de Franse dadakunstenaar Marcel Duchamp. Hij speelde al in de jaren twintig met de combinatie van taal en beeld. Hij introduceerde bovendien het idee van de readymade, een kunstwerk dat bestaat uit een al gefabriceerd object dat door een kunstenaar tot kunst wordt bestempeld. Zijn Fountain uit 1917 heeft een iconische status in de geschiedenis van de moderne kunst. Fountain is een urinoir, gekanteld opgesteld en gesigneerd als ware het een traditioneel kunstwerk. Het deed de toenmalige kunstwereld op zijn grondvesten schudden.

In het vroege conceptuele werk van de Amerikaanse kunstenaar en fotograaf Joseph Kosuth One and Three Chairs uit 1965-66 (zie afbeelding bovenaan de pagina) zien we de toepassing van taal in combinatie met het voorwerp terug. Hij presenteert de stoel in drie verschijningsvormen naast elkaar: In het midden een fysieke houten stoel, aan de muur een foto van een stoel en een uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek. Hiermee stelt hij vragen over het concept 'stoel'. Want wanneer is een stoel een stoel? Kunnen we ook spreken van een stoel als we naar een foto kijken van het voorwerp, of naar de definitie daarvan uit het woordenboek?
 

Marcel Broodthaers, Musée d’art moderne département des aigles, section XIXe siècle, Brussel, 1969
Marcel Broodthaers, Musée d’art moderne département des aigles, section XIXe siècle, Brussel, 1969

Marcel Broodthaers, een Belgische dichter en beeldend kunstenaar, werkt ook met woord en beeld. In zijn huis in Brussel zette hij een ‘Museum van Moderne Kunst, Afdeling Adelaars’ op. Een gedeelte daarvan, de 'Sectie XIXe eeuw', betrof een collectie ansichtkaarten, posters, opslagdozen en inscripties die adelaars weergaven. In 1972 labelde hij ze met de tekst 'Dit is geen kunstwerk.' De objecten bleven grotendeels ingepakt in kratten staan. Ze zijn in die toestand ook in enkele musea geëxposeerd. Hier ontstond de vreemde maar amusante verwarring, dat objecten weliswaar in een museum worden geëxposeerd, terwijl ze nota bene voorzien zijn van het label 'Dit is geen kunstwerk.' Het conceptuele kunstwerk gaat meer om het idee, dan om de verschijningsvorm. Met dit werk slaat Broodthaers een brug tussen een beroemd schilderij van de Franse surrealist René Magritte Ceci n’est pas une pipe (1928-29) en Duchamps statement uit 1917 dat zijn urinoir kunst was.
 

Marktwaarde van een idee

Veel conceptuele kunstenaars stapten bewust af van de traditionele ideeën over stijl en schoonheid in de kunst. Ze kozen opzettelijk voor oninteressant lijkende presentatievormen, zoals wiskundige formules. Zo verplichtten ze de beschouwer om zich niet op de uiterlijke vorm te richten, maar op het achterliggende idee. Bovendien zetten ze daarmee de kunstmarkt buiten spel, want als een kunstwerk ‘slechts’ bestaat in de vorm van een idee, dan is dat vanzelfsprekend moeilijk verkoopbaar. Illustratief is het citaat van Lawrence Weiner, de kunstenaar die in 1968 het schilderen liet voor wat het was en zich volledig op de geschreven tekst toelegde:
“Vanaf het moment dat je een van mijn werken beseft, is het jouw eigendom. Het is voor mij onmogelijk om in iemands hoofd te kruipen en het werk eruit te halen.”
(bron: Amy Dempsey, Encyclopedie van de moderne kunst: Stijlen, Scholen, Stromingen, Zwolle, 2002)

Een en ander onderstreept het kritische aspect van conceptuele kunst, dat zich bijvoorbeeld kon richten op politiek, economie en de kunstmarkt. Het paste in de algehele maatschappijkritische tijdgeest aan het einde van de jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw.
 

Einde conceptuele kunst

Halverwege de jaren zeventig beleefde de conceptuele kunst zijn hoogtepunt. Niet lang daarna veranderde de kunst van richting met de kunstenaars van het neo-expressionisme. Zij hechten meer belang aan het uiten van emotie dan aan het intellectuele idee. Ze uiten zich weer op een meer traditionele manier door met verf te schilderen op doek.

Belangrijke kunstenaars van de conceptuele kunst, naast de in dit artikel genoemde, zijn John Cage, Sol Lewitt, Walter de Maria, Bruce Nauman (zie van hem Self Portrait as a Fountain) en Robert Smithson. Nederlandse kunstenaars die worden gerekend tot de stroming van de conceptuele kunst zijn Jan Dibbets, Ger van Elk en Marinus Boezem.