Abstract expressionisme

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Uiting gevoelens en spiritualiteit met behulp van abstracte beeldtaal


door: Sander Kletter
  

Net als de kunstenaars van het expressionisme uit het begin van de twintigste eeuw, beschouwden de abstract expressionisten de emotie van de kunstenaar en zijn zielenroerselen als het belangrijkste onderwerp van de schilderkunst. Abstracte beeldtaal was volgens de abstract expressionisten bij uitstek geschikt om de universele thematiek van het tragische en het tijdloze weer te kunnen geven. Kunstcriticus Robert Coates herintroduceerde de term abstract expressionisme in 1946 in verband met het werk van Arshile Gorky, Jackson Pollock en Willem de Kooning. Herintroduceerde, want de term was al eens gebruikt om de abstracte schilderkunst van Wassily Kandinsky te beschrijven in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Franz Kline (1910-1962), Orange Outline, 1955, olieverf op karton op doek, 96.5 x 101.6 cm, North Carolina Museum of Art
Franz Kline (1910-1962), Orange Outline, 1955, olieverf op karton op doek, 96.5 x 101.6 cm, North Carolina Museum of Art

Abstract expressionisme was de eerste vernieuwende stijl na de Tweede Wereldoorlog. Het had specifiek New York als bakermat. Het was niet de enige term, die gebruikt werd voor het werk van Amerikaanse kunstenaars uit de jaren veertig en vijftig. Ze schilderden abstract, veelal met groot gebaar. Ze zetten hun gevoel om in kleur, vorm en textuur. Harold Rosenburg sprak in zijn artikel 'The American Action Painters', gepubliceerd in ARTnews (1952) over 'action painting.' Het ging de criticus in zijn artikel vooral om de schilderijen van Franz Kline, De Kooning en Pollock. De handeling van het schilderen staat bij deze kunstenaars centraal. Pollock legde zijn schilderdoeken plat op de grond en liet de verf erop druipen. Het leverde hem de bijnaam 'Jack the Dripper' op. Naast 'drippings', maakte Pollock ook 'pourings', waarbij hij gebruik maakte van door hemzelf ontwikkelde giettechnieken. Naast Rosenburg was ook de Amerikaanse kunstcriticus Clement Greenberg een belangrijke voorvechter van het abstract expressionisme. De term color field painting wordt gebruikt voor het werk van Barnett Newman, Mark Rothko en Clyfford Still. Het gaat deze kunstenaars om de emotionele werking van kleur. Ze schilderden doeken waarop slechts enkele monumentale eenkleurige vlakken werden aangebracht. Door de grote van het doek verdrinkt een beschouwer haast in die ene kleur, zodat deze zijn impact niet kan missen. De ogenschijnlijk egale vlakken zijn overigens meestal opgebouwd uit een rijke gelaagdheid aan kleuren, die elkaar in tint benaderen. Vlakken werden door kunstenaars als Newman en Rothko zorgvuldig opgebouwd uit meerdere na elkaar op te brengen lagen.

Meer terminologie voor hetzelfde beestje

Abstract expressionisme staat tevens bekend onder de benamingen New York School, First Generation American Painting en American-Type Painting. In de Verenigde Staten had men eeuwenlang de Europese kunststijlen overgenomen, niet vreemd aangezien Amerika een land is van immigranten. Het abstract expressionisme is de eerste in Amerika uitgevonden stijl, dat een beslissende stempel op de kunstwereld heeft weten te drukken. Dit verklaart de laatste twee genoemde stijlbenamingen, waarin het woord 'American' is opgenomen. Stijlen in Europa, die in de jaren vijftig verwantschap vertonen met het abstract expressionisme zijn Cobra en lyrische abstractie, dat ook wel bekend staat onder de term tachisme. Abstract expressionisme en lyrische abstractie worden samen ook wel aangeduid als informele schilderkunst (art informel), ontleend aan een essay uit 1950 van Michel Tapié.

De kunst van de abstracte expressionisten werd in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw niet alleen ondersteund door critici als Greenberg en Rosenburg. Peggy Guggenheim exposeerde de kunstwerken van deze beweging in haar galerie Art of This Century Gallery. Har galerie bestond tussen 1942 en 1947 in New York. In 1951 organiseerde het Museum of Modern Art te New York de expositie 'Abstract Painting and Sculpture in America.' Het zorgde voor museale en institutionele erkenning voor de abstract expressionisten. Het abstracte expressionisme heeft vooral betrekking op schilderkunst, toch werkten ook enkele fotografen en beeldhouwers in deze stijl. Belangrijk is beeldhouwer David Smith, die assemblages en beelden maakte van ijzer en staal. Eind jaren vijftig overheerste de stijl van het abstract expressionisme museale presentaties in Amerika en Europa. Dit is voor een groot deel te danken aan de tentoonstelling 'The New American Painting', dat door het gezaghebbende Museum of Modern Art was samengesteld.

Een nieuwe generatie kunstenaars verzet zich echter tegen de opvattingen en het werk van de abstract expressionisten. Er ontstonden als reactie nieuwe stijlen als minimal art, neodada van Jasper Johns en Robert Rauschenberg, nouveau réalisme en pop art. Met nadruk was er bij deze generatie aandacht voor andere kunstvormen dan schilderkunst, zoals body art, performance en videokunst. Het verheven imago dat schilderkunst dankzij het abstract expressionisme had gekregen, diende te worden bestreden.

Jackson Pollock (1912-1956), Number 3, 1949, email en olieverf op doek, 157.5 x 94.6 cm, Hirshhorn Museum and Sculpture Garden, Washington DC
Jackson Pollock (1912-1956), Number 3, 1949, email en olieverf op doek, 157.5 x 94.6 cm, Hirshhorn Museum and Sculpture Garden, Washington DC

Invloed van Europese kunst

De kunstenaars van het abstract expressionisme waren opgegroeid tijdens de Amerikaanse Depressie en de Tweede Wereldoorlog. Dit betekende dat zij weinig waarde hechten aan de ideologieën, die volgens hen ten grondslag hadden gelegen aan deze dramatische gebeurtenissen, zoals het socialisme en nationalisme. Stijlen, die hiermee in verband konden worden gebracht werden daarom door de nieuwe aanstormende avant-garde verworpen. Daartoe behoorden stijlen als de geometrische abstractie, het sociaal realisme en het Amerikaanse regionalisme.

De Amerikaanse avant-garde kunstenaars kwamen, doordat veel Europese kunstenaars waren gevlucht voor het naziregime, in aanraking met de Europese kunstenaars van het surrealisme. André Breton, de voorman van het surrealisme organiseerde in 1942 in New York de tentoonstelling 'The First Papers of Surrealism', waaraan ook Marcel Duchamp een belangrijke bijdrage leverde. Naast Breton waren ook Max Ernst, André Masson, Roberto Matta en Yves Tanguy naar Amerika uitgeweken.

In New York bestond in kunstenaarskringen eind jaren dertig en begin jaren veertig interesse voor de theorieën van Carl Jung. Vooral zijn uitgangspunt van het collectief onderbewuste, dat zou bestaan uit door de mensheid gedeelde mythen, oerbeelden en symbolen, vormde een inspiratiebron. De surrealistische methode van het 'psychisch automatisme', ontwikkeld door de surrealisten Ernst en Masson, sprak tot de verbeelding van jonge vooruitstrevende Amerikaanse kunstenaars als Gorky en Pollock. De methode hield in dat een kunstenaar ongehinderd door het verstand automatisch en procesmatig tekende of schilderde. Toepassing van die methode bij het maken van abstracte kunst zou er niet alleen voor zorgen dat de kunstenaar zichzelf ontdekt en zijn emoties weet te sublimeren, maar ook dat het collectief onderbewuste van Jung tot uitdrukking kan worden gebracht in kunst. In de ogen van de abstract expressionisten bereikte het kunstenaarschap een heroïsche status als een kunstenaar een abstracte symbolische beeldtaal wist te ontwikkelen, dat zowel een overtuigende persoonlijke expressie zou zijn als de weerslag van het collectief onderbewuste. In het abstract expressionistische werk van Gorky is de invloed van het surrealisme duidelijk te zien. In zijn werk herkennen we de abstract organische ('biomorfe') beeldtaal van Joan Miró.

Naast het surrealisme oefende ook Picasso en het kubisme invloed uit op de jonge avant-garde van New York. De abstractie van Kandinsky en Mondriaan, die zichzelf in verband met de Tweede Wereldoorlog ook in New York had gevestigd, vormde eveneens een inspiratiebron. Belangrijk verschil tussen de Europese en de nieuwe abstracte Amerikaanse kunst was echter het formaat waarop gewerkt werd. Waren de Europese abstracte schilderijen van de oudere generatie nog van gewoon formaat, die doorgaans op een standaard schildersezel waren gemaakt. De Amerikanen schilderden op reusachtige formaat, dat in de Europese kunstgeschiedenis voorbehouden was geweest in uitzonderlijke opdrachtsituaties of voor het maken van prestigieuze historiestukken of groepsportretten.

Mark Rothko (1903-1970), Number 18, 1951, olieverf op doek, 207 x 177.5 cm, Museum of Art, Utica, NY
Mark Rothko (1903-1970), Number 18, 1951, olieverf op doek, 207 x 177.5 cm, Museum of Art, Utica, NY

Spirituele inhoud

De kunst van de abstract expressionisten verwijst nauwelijks naar de herkenbare werkelijkheid. Al is de serie vrouwen van Willem de Kooning uit de jaren vijftig daar een uitzondering op. Toch gaven de kunstenaars De Kooning, Newman, Pollock, Rothko en Still aan in interviews, krantenartikelen en een manifest, dat de inhoud van hun werk belangrijk was. Uitdrukking geven aan spiritualiteit vormde een onderdeel van deze inhoud.

Mark Rothko schilderde in 1965-66 een serie doeken voor de Rothko Chapel in Houston, dat door het Amerikaanse echtpaar John en Dominique de Menil werd gefinancierd. De kapel wil een rustige omgeving bieden voor mensen met willekeurig welke religieuze overtuiging. De ruimte is bedoeld om in te mediteren. De schilderijen van Rothko nodigen uit tot contemplatie. Hij wilde eenzelfde religieuze ervaring oproepen bij de bezoekers van de Rothko kapel als door traditionele kerkgebouwen wordt opgeroepen. Een vergelijkbaar doel had Barnett Newmann voor ogen met zijn monumentale schilderij Cathedra uit 1951. Newman zocht via zijn werk naar 'de verborgen zin van het leven.' Enig utopisch getint optimisme was hem niet vreemd. Hij verklaarde in 1962, dat als mensen zich goed bewust zouden worden van zijn schilderijen er vanzelf een einde zou komen aan de uitwassen van het kapitalisme en aan totalitaire regimes. Een utopisme dat sterk doet denken aan dat van de kunstenaars van De Stijl en het Russisch constructivisme. Ook zij koesterden in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw hoge verwachtingen van de helende impact van hun kunst op politiek en samenleving. Ook aan het werk van De Kooning ligt een zekere spiritualiteit ten grondslag. Hij zei te streven naar 'de vereniging tussen zichzelf en het universum.'

Pollock, Rothko en Still maakten hun kunst vooral om de eigen gevoelens uit te drukken. Hun innerlijke elementaire emoties, die eventueel aangevoeld zou kunnen worden door de medemens, vormde de inhoud van hun schilderkunst.

Kunstenaars, die tot het abstract expressionisme kunnen worden gerekend, voor zover nog niet in de tekst genoemd zijn: Josef Albers, William Baziotes, Sam Francis, Helen Frankenthaler, Adolph Gottlieb (zie van Gottlieb het schilderij Blast I uit 1957), Philip Guston, Hans Hofmann, Lee Krasner, Robert Motherwell (zie van Motherwell het schilderij Elegie op de Spaanse Republiek, 108), Jules Olitski, Ad Reinhardt, Mark Tobey en Cy Twombly.