Meret Oppenheim (1913-1985)

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Een wereldberoemde kop en schotel


door: Sander Kletter en Kyra ter Veer
 

Kunstenares Meret Oppenheim wordt meestal direct geassocieerd met haar Déjeuner en fourrure, een kunstobject bestaande uit een kop en schotel met een lepel, bekleed met de pels van een Chinese gazelle.

Meret Oppenheim, Object (Déjeuner en fourrure), 1936, theekopje, schotel en lepel met bont bedekt, 7 cm hoog, Museum of Modern Art, New York
Meret Oppenheim, Object (Déjeuner en fourrure), 1936, theekopje, schotel en lepel met bont bedekt, 7 cm hoog, Museum of Modern Art, New York

Oppenheim wordt met haar objectkunst beschouwd als de belangrijkste vrouwelijke kunstenaar van het surrealisme, een kunststroming met toonaangevende kunstenaars als Salvador Dalí en René Magritte, met als voorloper Giorgio de Chirico. Het kunstenaarschap van Oppenheim begon in 1931. Ze ging als achttienjarige van school af, nadat ze had besloten dat ze kunstschilder wilde worden. Een jaar later vertrekt ze naar Parijs, waar ze voor een aantal jaren zal verblijven. Daar raakt de nog jonge Oppenheim bevriend met de surrealisten Hans Arp, Max Ernst, Alberto Giacometti en Man Ray. Met deze kunstenaars exposeert ze samen in Parijs. Maar ook enkele naaktfoto’s, die Man Ray van haar maakt worden tentoongesteld en dragen zo bij aan haar bekendheid.
 

Breton en Picasso als inspiratoren

In 1936 heeft ze haar eerste solotentoonstelling bij Galerie Schulthess in de Zwitserse stad Basel, de plaats waar zij opgroeide. In datzelfde jaar maakt zij het werk Déjeuner en fourrure. De titel van het werk is gebaseerd op een idee van André Breton, de grondlegger van het surrealisme. De titel verwijst naar het schilderij Le Déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet. Breton wilde zo inspelen op de dubbelzinnige erotische lading van Oppenheims werk.
In de ontstaansgeschiedenis van Déjeuner en fourrure speelt ook Picasso een rol, die niet alleen de voorman van het kubisme was, maar in zijn werk ook een surrealistische en een abstracte periode kende. In eerste instantie speelde Oppenheim met het idee om armbanden te bedekken met bont. Ze wilde het toepassen bij modeopdrachten die ze uitvoerde om zichzelf financieel te kunnen bedruipen. Maar in het Parijse Café de Flore werd ze tijdens een gesprek met Picasso en Dora Maar, de kunstenares die vooral bekend is als muze van Picasso, op een nieuw denkspoor gezet. Zij vroegen zich af wat je nog meer in bont zou kunnen voeren. Gewone gebruiksvoorwerpen, zoals een kop en schotel, zouden die ook in bont gevoerd kunnen worden? Oppenheim zette die gedachte om in de praktijk en vervaardigde het nu zo befaamde kunstwerk.
Ze exposeert Déjeuner en fourrure onder andere op de tentoonstelling ‘Fantastic Art, Dada, Surrealsm’, in het Museum of Modern Art in New York. Bovendien koopt het museum het aan. Alfred Barr, de directeur van het MoMA, beschouwt het kunstobject namelijk als een icoon van de kunst van de twintigste eeuw. De kop en schotel van Oppenheim heeft iets van dada en pop art. Twee voorbeelden van kunststromingen, welke het gewone alledaagse object op een vervreemdende, en vaak ook banale manier in een artistieke context weten te plaatsen.
 

Crisisjaren en grote tentoonstellingen

In Parijs bezocht Oppenheim zo nu en dan de Académie de la Grande Chaumière. Ze begint echter pas echt aan een kunstopleiding in 1937. Ondanks dat ze al successen boekte in Parijs, keerde ze terug naar Basel, waar ze zich inschreef aan de kunstnijverheidsschool. Dit blijkt echter het begin van een langdurige crisis voor de kunstenares, een periode waarin ze nauwelijks werk produceert. Aan deze crisis weet ze zich pas na ruim tien jaar te ontworstelen. In 1950 betrekt ze een atelier in Bern. In 1967 wordt er een retrospectief van haar werk in de Moderna Museet in Stockholm georganiseerd. Vanaf 1972 werkt ze in een atelier in Parijs. Daar neemt ze deel aan twee tentoonstellingen: ‘Eigentijdse Zwitserse Kunstenaars’ in het Grand Palais en ‘Le Surréalisme’ in het Musée des Arts Décoratifs. Drie jaar later wint ze de Kunstprijs van de stad Basel. In 1982 wint ze de Eerste prijs van de Stad Berlijn. Oppenheim overlijdt op 15 november 1985 in Basel. In 2006 presenteert het Kunstmuseum Bern een aanzienlijk deel van haar oeuvre in een grote retrospectieve.