J.H. Weissenbruch (1824-1903)

1100+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Eind goed al goed, de carrière van J.H. Weissenbruch


door: Sander Kletter

Hendrik Johan Weissenbruch is geboren op 14 juni 1824 te Den Haag. Als kunstenaar staat hij echter bekend onder de naam J.H. Weissenbruch. Hij is een zoon van Johannes Weissenbruch en Johanna Hendrika Zaag. Zijn vader was kok en eigenaar van een restaurant. Het gezin Weissenbruch woonde in de Kazernestraat te Den Haag, vlakbij museum het Mauritshuis. De kunstenaar woonde daar vervolgens het grootste deel van zijn leven. De vader van J.H. Weissenbruch schilderde in zijn vrije tijd en verzamelde schilderijen. Hij bezat schilderijen van Andreas Schelfhout en Bart van Hove. De familie Weissenbruch wordt omschreven als een kunstzinnige familie, omdat enkele neven ook in het kunstenaarsvak of in aanverwante beroepen werkzaam waren. De belangrijkste in dit verband is zijn volle twee jaar oudere, neef Jan Weissenbruch, die ook als kunstschilder in Den Haag woonde en werkte.

J.H. Weissenbruch (1824 – 1903), Riviergezicht met pramende boer, ca. 1870, olieverf op paneel, 24 x 37 cm, Groninger Museum, Groningen
J.H. Weissenbruch (1824 – 1903), Riviergezicht met pramende boer, ca. 1870, olieverf op paneel, 24 x 37 cm, Groninger Museum, Groningen

J.H. Weissenbruch werd omstreeks 1840, op zestienjarige leeftijd, in de leer gedaan bij kunstschilder Johannes Löw. Tijdens zijn jeugd was als spoedig gebleken, dat hij artistiek was aangelegd. Deze leermeester is nauwelijks bekend, in het Lexicon Scheen komt zijn naam niet voor. In 1843 gaat hij bij Löw weg om avondlessen te gaan volgen bij de Haagse Tekenacademie voor Beeldende Kunsten. Hij wordt op de academie onder andere begeleid door Bart van Hove. Overdag werkte Weissenbruch op het atelier van Van Hove om hem te helpen bij het schilderen van toneeldecors. Dit staat echter niet vast. Even lijkt het er op dat Weissenbruch in de leer zal komen bij de romantische landschapschilder Andreas Schelfhout, de andere kunstenaar van wie zijn vader schilderijen bezat. In de periode 1840-1850 nam deze vooraanstaande kunstenaar een centrale positie in binnen het wereldje van landschapschilders. Als je bij hem in de smaak viel, maakte je een goede kans op meer bekendheid. Johannes Bosboom, een zeven jaar oudere kunstschilder van kerkinterieurs adviseerde Weissenbruch het echter niet te doen, door hem voor te houden: “Je moet uit je eigen lens blijven zien”. Of Weissenbruch daadwerkelijk les heeft gehad van Schelfhout is niet helemaal duidelijk. Hoe het ook zij, Weissenbruch legde zich net als Schelfhout toe op het schilderen van landschappen. In zijn vroege werk lijkt de invloed van Schelfhout overigens wel zichtbaar.

Zeventiende-eeuwse meesters als voorbeeld

Weissenbruch werkte in olieverf en aquarel, daarnaast zijn er ook veel getekende voorstudies van zijn hand bewaard gebleven. Hij schilderde eerst realistisch. Zijn (latere) werk wordt gerekend tot de stijl van de Haagse school. Naast de lessen, die hij kreeg van Löw en van Bart van Hove, kopieerde hij graag het werk van kunstenaars uit de Gouden Eeuw. Hij bestudeerde hun schilderijen in museum het Mauritshuis. Zijn voorbeelden waren vooral Johannes Vermeer, Paulus Potter (denk aan diens bekende schilderij De stier uit 1647) en Jacob van Ruisdael. Tijdens een interview aan het eind van zijn leven met J.H. Rössing omschreef Weissenbruch het belang van dat kopiëren als volgt: “Ik herinner me, dat ik als jongen in onze museums voor de schilderijen van de oude meesters verstomd stond, zoals ze de natuur tot je lieten spreken. Als ik van iemand geleerd heb de natuur te zien dan is het van onze oude meesters. Maar het meest van de natuur-zelve.” Tot het eind van zijn leven schildert Weissenbruch vooral het landschap rondom Den Haag. Maar vanaf 1882 verblijft hij in de zomer jaarlijks aan de Nieuwkoopse plassen in het dorpje Noorden. Ook daar heeft hij veel geschilderd. Daarnaast schilderde hij in mindere mate ook op andere Nederlandse locaties, bijvoorbeeld in de omgeving van de stad Haarlem.
 

J.H. Weissenbruch, Gezicht op Haarlem, 1845-1848, olieverf op paneel, 23,2 x 34,1 cm, Gemeentemuseum Den Haag
J.H. Weissenbruch, Gezicht op Haarlem, 1845-1848, olieverf op paneel, 23,2 x 34,1 cm, Gemeentemuseum Den Haag

Pulchri Studio

Weissenbruch is samen met zijn neef Jan betrokken bij de oprichting van Pulchri Studio in Den Haag, in 1847. Vanaf dat jaar neemt hij tot aan 1900 bijna jaarlijks deel aan de tentoonstellingen van Levende Meesters. In de meeste jaren is hij met slechts één of twee schilderijen vertegenwoordigd. In een tiental jaren in dezelfde periode neemt hij met drie of vier schilderijen deel aan deze tentoonstellingen, die gehouden werden in steden als Amsterdam, Antwerpen, Den Bosch, Den Haag, Groningen, Rotterdam en Utrecht. Een keer exposeert hij in Parijs, in 1889. Hij boekt zijn eerste verkoopsucces in 1849 wanneer het Haarlemse Teylers Museum een schilderij aankoopt voor tweehonderd en vijftig gulden. Volgens kunsthistoricus Jos de Gruyter kon zijn moeder het haast niet geloven, omdat hij kort tevoren nog een waterverftekening had verkocht voor maar twee gulden en tien cent.

Kritiek en erkenning

In het begin van zijn carrière zijn de kunstkritieken op Weissenbruch niet erg positief. Hij zou het zoeken naar ‘vreemde effecten’ moeten vermijden en was vergeleken met zijn neef ‘teveel een leerling’. In de N.R.C. van 1853 wordt zijn kleurgebruik als hard en onbehaaglijk omschreven. Maar halverwege tot eind jaren zestig van de negentiende eeuw ontstaat er toch enige waardering voor zijn werk. Naar aanleiding van de tentoonstelling van de Levende Meesters in 1868 in Amsterdam schrijft een criticus: “Ook van J.H. Weissenbruch mag ik niet zwijgen, al zijn zijne stukken naar de bovenzaal verbannen. Het moge waar zijn, dat men ze wat meer doorwerkt, wat minder cru van toon zou wenschen, in breedheid en kracht van het effect, in de uitdrukking der tegenstellingen tusschen het licht in de lucht en de diepe toonen van het landschap, is hij velen de baas, die met gunstiger plaats werden bedoeld.” Eerder in 1866 in de Kunstkronijk kreeg hij een voorzichtige positieve kritiek, van een anonieme criticus, die weliswaar vond dat enkele partijen de harmonie verstoren, omdat ze ‘te cru van kleur zijn of te fel blinken’, maar die ook ‘hulde’ bracht aan de opvatting van de ‘brede schildering’ van J.H. Weissenbruch. Erkenning van zijn collega’s is er des te meer. Hij wordt in 1866 bijvoorbeeld vanwege zijn uitzonderlijke aquarelleerkunst gevraagd lid te worden van de Societé des Aquarellistes in Brussel. Belgische critici, met Camille Lemonnier voorop, waren positief over de nieuwe richting die de Nederlandse schilderkunst eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de negentiende eeuw in sloeg.
 

J.H. Weissenbruch, Landschap met molen bij Schiedam, 1873, olieverf op doek, 64.5 x 101 cm, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
J.H. Weissenbruch, Landschap met molen bij Schiedam, 1873, olieverf op doek, 64.5 x 101 cm, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Het zwaard zonder genade

In 1863 trouwt Weissenbruch met Susanna Petronella Geertruida Schouw. Ze krijgen in 1864 een zoon, die zij Willem Johannes noemen. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt ook landschapschilder. Ondanks het huiselijke geluk moet Weissenbruch nog altijd wachten op brede publieke waardering. Maar waardering krijgt hij van zijn vakgenoten voor zowel zijn persoonlijkheid als voor zijn werk. In dit verband noemt Willem Laanstra heel verrassend Vincent van Gogh, die in zijn brieven aan zijn broer Theo van 1873, 1877, 1881 en 1889 schrijft over zijn waardering voor Weissenbruch. Binnen kunstenaarsvereniging Pulchri krijgt Weissenbruch vanwege zijn opgewekt karakter de veelzeggende bijnaam ‘de vrolijke Weis’. Ook zijn oordeel over het werk van anderen werd belangrijk geacht, in dit opzicht was hij zoals wel wordt gezegd een ‘kunstenaars kunstenaar’. Hij gaf zijn oordeel eerlijk en nogal recht voor zijn raap. Dat leverde hem binnen Pulchri tevens de bijnaam 'het zwaard zonder genade' op.
 

Eerste tekenen van succes

De jaren zeventig vormen een voorzichtige opmaat naar het grote succes dat Weissenbruch te wachten staat aan het eind van zijn leven. Op de tentoonstelling van de Levende Meesters van 1870 in Rotterdam wordt zijn schilderij Gezicht op de Trekvliet aangekocht door de Vereeniging tot het Oprichten van een Museum voor Moderne Kunst. Het schilderij wordt vervolgens geschonken aan het Haags Gemeentemuseum. Drie jaar later verwerft Museum Boijmans Van Beuningen zijn Landschap met molen bij Schiedam (zie afbeelding hierboven). Hoe Weissenbruch in zijn bestaan voorziet is moeilijk te achterhalen. Hij had enkele leerlingen, wellicht dat deze aan zijn inkomen hebben bijgedragen. Laanstra zegt dat hij best redelijk verkocht, andere auteurs spreken eerder van armoede. Het Boijmans betaalde twaalfhonderd gulden voor het Landschap met molen bij Schiedam. Daarna brengen de schilderijen en aquarellen van Weissenbruch tussen de honderd en vijfhonderd gulden per stuk op, dit is alleszins redelijk volgens Laanstra. In 1876 wordt de kunstenaar lid van de Hollandsche Teekenmaatschappij en wordt zijn dochter Maria Leonie Wilhelmina Adelina geboren.

Weissenbruch krijgt pas echt succes vanaf het moment dat hij zomers gaat schilderen bij de Nieuwkoopse plassen, omdat hij daar zijn ‘ware eldorado’ ontdekte. De luchten, de wolkenformaties, de regenbuien inspireerden hem en brachten hem tot grote hoogte. Naar deze streek had hij zijn hele leven ‘gezocht’. Het werk van Weissenbruch, zowel zijn aquarellen, tekeningen als olieverven zijn hier op hun best, aldus Laanstra. Het dorpje Noorden met zijn herberg van herbergier Bom en Pension Verzijden vervulde in de zomermaanden de rol van ‘schilderkolonie’ voor meerdere kunstenaars van de Haagse School. Laanstra noemt onder andere Willem Roelofs, Paul Gabriël en Jozef Israëls. Israëls heeft ter plekke een mooi portret van J.H. Weissenbruch gemaakt, waar Van Gogh later vol lof over zou schrijven aan de schilder Anthon van Rappard.

Te Noorden bij Nieuwkoop, 1901, olieverf op doek, 18.3 x 31.2 cm, Dordrechts Museum (Bruikleen verzameling van Bilderbeek)
Te Noorden bij Nieuwkoop, 1901, olieverf op doek, 18.3 x 31.2 cm, Dordrechts Museum (Bruikleen verzameling van Bilderbeek)

Ook zijn nieuwe werk krijgt waardering van andere kunstenaars. Weissenbruch wordt gevraagd wordt voor exposities bij Arti et Amicitae in Amsterdam in 1877 en 1881. Vanwege zijn bescheiden karakter, moet hij daartoe wel eerst worden overgehaald door bevriende kunstenaars als Julius van de Sande Bakhuysen en Bosboom. In 1879 koopt Mesdag een aquarel van Weissenbruch. Criticus J.K. van Santen Kolff wijdt aan die aquarel datzelfde jaar een uitgebreide passage in de Nederlandsche Spectator. Hij eindigt met de woorden: “Naast deze kracht van kleureffecten en deze stoutheid van losse, geestige behandeling houden weinig landschappen stand.” Deze positieve kritiek op zijn aquarel met een strand en zeemotief leidde ertoe, dat Weissenbruch vanaf dat jaar steeds vaker zee- en strandgezichten gaat schilderen. Het is een goede keuze, want hij blijkt een meester in het ‘weglaten’. Het meesterschap van Weissenbruch groeit gestaag verder, zoals ook het maken van de 'Noordense aquarellen' hem had doen groeien. Hij streeft naar de meest eenvoudige weergave. De werken, die vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw ontstaan, leiden tot grotere bekendheid bij het kunstminnend publiek in binnen- en buitenland. Toch is men rond die tijd nog steeds niet helemaal overtuigd van de grootheid van Weissenbruch. Johan Gram schrijft in 1881: “Had hij het uitdrukken der stof, het voltooien zijnen prachtige effecten evenzeer in zijne macht als het weergeven eenere heerlijke kleurenharmonie, zijne doeken zouden meesterstukken zijn.”  Door de kunsthandel wordt Weissenbruch omstreeks deze tijd echter ontdekt. Laanstra noemt met name de Engelse kunsthandelaar R. Peacock, die veel werken van hem aankocht.

De kunsthandel ontdekt Weissenbruch

In 1887 koopt de Haagse Museumvereniging een strandgezicht voor achthonderd gulden om het aan het Haags gemeentemuseum te schenken. Het is weliswaar een laag bedrag in vergelijking tot wat men voor een Mesdag of Israëls betaalde, maar het leidde er wel toe, dat het werk van Weissenbruch op de tentoonstellingen van de Levende Meesters vanaf dat moment grotere belangstelling kreeg.

J.H. Weissenbruch, Strandgezicht, olieverf op paneel, 1870-1903, 17.8 x 24.2 cm, collectie Rijksmuseum, Amsterdam
J.H. Weissenbruch, Strandgezicht, olieverf op paneel, 1870-1903, 17.8 x 24.2 cm, collectie Rijksmuseum, Amsterdam

In 1889 schrijft Theo van Gogh, op dat moment werkzaam bij de befaamde kunsthandel Goupil in Parijs, aan zijn broer Vincent: ”De Hollandsche School doet het er goed. Er hangen twee aquarellen van J.H. Weissenbruch die ik bijzonder mooi vind […]Een van de Weissenbruchs is een molen langs een vaart, blauwe hemel met een klein wolkje waarachter de zon schuilgaat. De ander is een vaart met boten, ’s avonds in het maanlicht. Het is een kunstenaar van grote klasse, maar Tersteeg zegt dat hij onverkoopbaar is.” Vanaf dat jaar wordt steeds meer werk van Weissenbruch verkocht onder andere aan Canadese en Amerikaanse verzamelaars door de kunsthandels Van Wisselingh en Buffa, en het filiaal van Goupil in Den Haag.

In 1899 vindt een solotentoonstelling plaats bij Kunsthandel Frans Buffa & Zonen in Amsterdam. Een week voor sluiting zijn 55 van de 79 geëxposeerde werken verkocht. De omzet van de expositie bedraagt ruim honderdduizend gulden. Ook tijdens deze expositie blijkt opnieuw het respect dat andere kunstenaars voor hun collega hebben. In de periode van de expositie valt zijn verjaardag, waarop hij 75 wordt. De nog altijd bescheiden kunstenaar wordt in zijn atelier, na veel aandringen, officieel gehuldigd door president Hendrik Willem Mesdag van het bestuur van Pulchri en de overige bestuursleden. Hij ontvangt als eerbetoon een krans en ze drinken gezamenlijk champagne. Deze huldiging en zijn definitieve ‘doorbraak’ als gevolg van de bijzonder geslaagde expositie bij Buffa heeft zijn vrouw helaas niet meer mogen meemaken. Ze overlijdt in 1892.

J.H.Weissenbruch, Aan het strand, 1902, olieverf op paneel, 17.7 x 25.8 cm, collectie kunsthandel Mark Smit, Ommen
J.H.Weissenbruch, Aan het strand, 1902, olieverf op paneel, 17.7 x 25.8 cm, collectie kunsthandel Mark Smit, Ommen

Op reis naar Barbizon en een gouden medaille op de wereldtentoonstelling van Parijs

Voor zijn dood op 24 maart 1903 gebeuren er nog twee vermeldenswaardige dingen in het leven van J.H. Weissenbruch. In de maanden mei en juni van 1900 maakt de 76-jarige kunstenaar met zijn leerling Victor Bauffe een ‘bedevaart reis’ naar Barbizon.  Ook kunsthandelaar Jacobus Slagmulder en zijn vrouw, de eigenaars van Kunsthandel Buffa, gaan mee. Het was heel bijzonder, want het was de eerste keer in zijn leven dat de kunstenaar Nederland verliet! Hij schildert daar onder andere het huis van de beroemde kunstenaar Millet, een van de belangrijkste kunstenaars van de School van Barbizon. In hetzelfde jaar zendt hij het schilderij Storm op de kust van Zeeland in naar de Wereldtentoonstelling van Parijs. Hij wint voor het eerst in zijn lange carrière een gouden medaille. De internationale pers schenkt er echter nauwelijks aandacht aan, alle aandacht gaat uit naar het schilderij Marchand de bric-a-brac van Jozef Israëls.

In 1903 schrijft de criticus Plasschaert in Onze Kunst dat Weissenbruch iets bijzonders in zijn werk had bereikt, dat het tot ‘een klinkend schoon geheel’ maakte. Zijn werk was voor ‘alle tijden en onsterfelijk’. Plasschaert heeft het helder gezien, want het werk van Weissenbruch is vereeuwigd in de collecties van respectabele Nederlandse musea als het Amsterdamse Rijksmuseum, museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Gemeentemuseum Den Haag, het Groninger Museum en Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Deze eer is uiteindelijk aan slechts weinig kunstschilders voorbehouden.

Bronnen:

  • Saskia de Bodt, Halverwege Parijs: Willem Roelofs en de Nederlandse schilderskolonie in Brussel, 1840-1890, Gent, 1995.
  • Dr. H.E. van Gelder, J.H. Weissenbruch, Amsterdam, 1940.
  • Dr. H.E. van Gelder, Honderd jaar Haagse schilderkunst, Amsterdam, 1947.
  • Johan Gram, Onze schilders in Pulchri Studio, Rotterdam, 1881.
  • Dr. Jos de Gruyter, De Haagse School, deel 1, Rotterdam, 1968, pp. 60-75.
  • Willem Laanstra en Susanne Ooms, Johan Hendrik Weissenbruch, 1824-1903, Amsterdam ,1992.
  • Wiepke Loos, Aquarellen van de Haagse School: De collectie Drucker-Fraser, Rijksmuseum, Amsterdam, 2002, pp. 216-225.
  • John Sillevis, Het Haagse School boek, Zwolle/Den Haag 2001, pp. 228-239.
  • J.H. Weissenbruch, 1824-1903, onder red. van Edwin Jacobs, Hans Janssen en Marjan van Heteren, Zwolle, 1999.