Bart van der Leck (1876-1958)

1000+ mensen volgen Art Salon Holland op Facebook, dat wil jij toch niet missen?

Van onze redactie
  

De Nederlandse schilder, ontwerper, lithograaf en keramist Bart van der Leck was betrokken bij de oprichting van het tijdschrift De Stijl in 1917, samen met de kunstenaars Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Vilmos Huszar, die hij een jaar eerder had leren kennen. Hij verbond zich echter maar voor een korte tijd aan de groep kunstenaars en architecten, die verbonden was met dit avant-garde tijdschrift.

Bart van der Leck, Compositie 1917 no. 4 (uitgaan van de fabriek), 1917, olieverf op doek, 94 x 100 cm, Kröller Müller Museum, Otterlo
Bart van der Leck, Compositie 1917 no. 4 (uitgaan van de fabriek), 1917, olieverf op doek, 94 x 100 cm, Kröller Müller Museum, Otterlo

Bart van der Leck werkte de eerste periode van zijn carrière voornamelijk bij glasateliers in Utrecht. In 1899 vertrok hij naar Amsterdam, waar hij als glasschilder aan de slag ging. Hij volgde zijn opleiding aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid en tevens nam hij tekenlessen bij August Allebé aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. De kunstenaar deelde omstreeks 1905 een atelier met de architect Piet Klaarhamer, met wie hij regelmatig samenwerkte. Van der Leck tekent in 1912 een samenwerkingscontract met de invloedrijke kunstpedagoog H.P. Bremmer. Hij ontmoet architect H.P. Berlage, met wie hij vervolgens een aantal jaren samenwerkt. Samen ontwierpen zij bijvoorbeeld het interieur van het Jachtslot Sint Hubertus te Otterlo, de woning van het beroemde verzamelaarsechtpaar Kröller-Müller. Van der Leck leerde het echtpaar kennen via Bremmer, die de belangrijkste kunstadviseur was van Helene Kröller-Müller. De aanzienlijke verzameling schilderijen die Helene Kröller-Müller via Bremmer aankocht van Van der Leck is nog altijd te bezichtigen in het museum Kröller-Müller te Otterlo, dat naar de familie Kröller-Müller is vernoemd.
Als medeoprichter van De Stijl schreef Van der Leck artikelen met betrekking tot de schilderkunst binnen de architectuur. Het zouden echter niet meer dan twee artikelen worden, want al gauw ontstonden er stijltheoretische meningsverschillen, zowel met Van Doesburg als met Mondriaan. Vander Leck en Mondriaan hadden elkaar echter artistiek gezien onmiskenbaar beïnvloed. De geabstraheerde geometrische vormen tegen een witte achtergrond van Mondriaan hadden een zichtbare invloed op het werk van Van der Leck. Dit leidde echter tot een nieuwe richting binnen zijn oeuvre, waar hij Helene Kröller-Müller en Bremmer geen plezier mee deed.
In de jaren twintig was Van der Leck niet bijzonder productief. Hij maakte vier schilderijen per jaar en nam nauwelijks deel aan exposities. Zijn werk werd voornamelijk aangekocht door de kunstelite, die goed op de hoogte was van de laatste ontwikkelingen binnen de kunstwereld. In 1929 kreeg Van der Leck een beroerte. Hij verloor een groot deel van het gezichtsvermogen van één oog en hij kon tijdelijk niet meer werken. Toen hij zijn werk weer hervatte, legde hij zich op advies van Bremmer toe op keramiek.
 

Gemeenschapskunst

Pas na de Tweede Wereldoorlog ging hij ook weer schilderen. Van der Leck had al vanaf zijn vroege carrière een voorkeur voor de zogenaamde ‘gemeenschapskunst’, kunst die voor iedereen in de maatschappij bestemd was, in plaats van alleen voor de culturele elite. Dit verklaart ook zijn interesse voor de vormgeving van het interieur, de architectuur, en alle andere (toegepaste) kunstvormen, welke men in de publieke ruimte tegenkomt. Van 1955 tot 1957 mocht de kunstenaar, inmiddels op leeftijd, de kleurindeling en kleurstelling van het interieur van het internaat van de Rijksluchtvaartschool te Eelde bepalen, welke door architect Pierre Cuijpers was ontworpen. Een dergelijke opdracht kwam dicht bij zijn ideaal van het ontwerpen van een totale omgeving. Een jaar later stierf de kunstenaar in het harnas, gezeten achter zijn schildersezel, op bijna 82jarige leeftijd.