De verleiding van The American Dream

door Sander Kletter

Zondag 19 november is in het Drents Museum in Assen en de Kunsthalle Emden in het Noorden van Duitsland een unieke tentoonstelling van start gegaan. Zo onderstrepen de beide musea terecht hun eerste samenwerkingsproject. De musea tonen gezamenlijk en tegelijkertijd een selectie van in totaal ruim tweehonderd schilderijen, grafiekbladen, foto’s en driedimensionale kunstobjecten, die door Amerikaanse kunstenaars gemaakt zijn, in de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot heden. Wat de tentoongestelde kunstwerken verbindt, zou je kunnen omschrijven als een figuratieve reflectie op het leven in de Verenigde Staten, in het bijzonder op de verwezenlijking van de utopische ‘American Dream.’

Edward Hopper, Morning Sun, 1952, olieverf op doek, 71.44 x 101.93 cm, Columbus Museum of Art, Ohio (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)
Edward Hopper, Morning Sun, 1952, olieverf op doek, 71.44 x 101.93 cm, Columbus Museum of Art, Ohio (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)

Bij binnenkomst op de tentoonstellingszaal in Assen wordt het overkoepelende thema van de tentoonstelling in eenvoudige bewoording aan de bezoeker duidelijk gemaakt. The American Dream staat ervoor ‘dat iedereen die hard werkt alles kan bereiken’ in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog. ‘De kansen daartoe zijn voor iedereen gelijk.’ Het is duidelijk dat de tentoonstellingsmakers een maatschappijkritische rol toeschrijven aan het Amerikaanse realisme. De term realisme wordt overigens nogal ruim opgevat. Ook de pop art van Andy Warhol en Roy Lichtenstein wordt ertoe gerekend. De Amerikaanse kunsthistoricus Peter Trippi, die als adviseur is opgetreden bij de totstandkoming van de tentoonstelling, bevestigt in het Drents Museum Magazine dat de keuze voor de term ‘realisme’ als kapstok niet helemaal vanzelfsprekend is. Hij zegt dat het ‘een lastig woord’ is omdat het voor sommige mensen een zorgvuldig en uiterst verfijnde techniek suggereert, terwijl het voor anderen alleen maar betekent dat het beeld representatief is, dat we er iets in kunnen herkennen.’
            Met de tentoonstelling wordt zowel direct als indirect kritiek geleverd op de algemeen aanvaarde zienswijze dat het modernistische abstract expressionisme van kunstenaars als Jackson Pollock en Willem de Kooning representatief is voor de naoorlogse Amerikaanse situatie. In de visie van de curatoren was er destijds namelijk veel meer aan de hand in de Amerikaanse kunstwereld. Een nieuwe vorm van realisme ontwikkelde zich, die het alledaagse Amerikaanse leven tot onderwerp had. Kunstenaars lieten zien dat ‘niet iedereen succesvol was en rijk.’ Armoede, drugs en criminaliteit behoren ook tot de alledaagse realiteit. In de ruim tweehonderd pagina’s tellende rijk geïllustreerde tentoonstellingscatalogus wordt met nadruk naar voren gebracht, dat voor een compleet kunsthistorisch beeld niet zomaar aan de verschillende vormen van realisme voorbij mag worden gegaan. In de inleiding van haar beschouwing ‘Reality Check’, dat een beknopt overzicht biedt van alle Amerikaanse realistische kunststromingen uit de naoorlogse periode, spreekt kunsthistorica Dana A. Miller van geschiedvervalsing en ‘chauvinistische grootheidswaan’, wanneer doorgaans in haar visie wat al te simpel wordt gesteld dat louter het abstract expressionisme ervoor heeft gezorgd dat New York na de Tweede Wereldoorlog het middelpunt werd van de internationale kunstwereld.
 

Politiek en sociaal engagement

Curator Antje-Britt Mählmann van Kunsthalle Emden trekt in haar catalogusbijdrage een vergelijkbare conclusie als Miller. Ze schrijft dat het realisme zich in de Verenigde Staten wist te handhaven tijdens het tijdperk dat de abstracte kunst werd gevierd, omdat ‘de kritische en politieke mogelijkheden ervan in tegenstelling tot de subjectieve expressie van de abstracte naoorlogse kunst’ het een zinvol bestaansrecht verleent. Racisme, seksisme, hyperkapitalisme, armoede en de sociale onrechtvaardigheid binnen de Amerikaanse maatschappij staan The American Dream als een bereikbaar ideaalbeeld voor iedereen in de weg.
            Mählmann legt in haar inleiding een historisch verband met het Franse realisme uit het midden van de negentiende eeuw. Beroemde kunstenaars van weleer zoals Gustave Courbet en Jean-François Millet hebben met hun maatschappijkritische werk naoorlogse Amerikaanse kunstenaars beïnvloed. Speciaal die kunstenaars die het dagelijks leven in beeld willen brengen. Zij kwamen met het werk van de Franse negentiende-eeuwse realisten in aanraking tijdens hun studiereizen naar Parijs. Die stad was immers eeuwenlang het centrum van de internationale kunstwereld voordat New York het stokje overnam in het tijdperk van na de Tweede Wereldoorlog.

           Op de tentoonstelling van The American Dream zijn inderdaad tientallen voorbeelden te zien van kunst, die je maatschappijkritisch zou kunnen noemen. Het beroemde schilderij Morning Sun van Edward Hopper (1882-1967), dat als uithangbord van de tentoonstelling dienst doet en prijkt op de voorzijde van de catalogus, is daarvan een zeer subtiel voorbeeld. Een vrouw, gezeten op een bed, kijkt uit het raam. Details in het uitzicht maken duidelijk dat ze over een grote Amerikaanse stad uitkijkt. Haar maskerachtige gelaat in combinatie met het lege interieur scheppen een sfeer, die haar isolement lijkt te willen onderstrepen. De vrouw lijkt geen connectie te maken met de buitenwereld. Zoals in veel schilderijen van Hopper staat de eenzaamheid van de stadsmens centraal.
            Er zijn verschillende werken te zien, waar de geëngageerde visie er dikker bovenop ligt dan bij Hopper. Zo zijn in Emden van fotograaf Gordon Parks (1912-2006) verschillende zwart-witfoto’s te zien, onder meer een serie met een documentair karakter over de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. We zien Martin Luther King, een prominent lid van die beweging uit de jaren vijftig en zestig, die zich op vreedzame wijze inzette tegen de rassenscheiding. Op een van de foto’s spreekt de intussen legendarische dominee mensen toe tijdens een massademonstratie in het Washington van 1963.
            Van beeldhouwer Duane Hanson (1925-1996) is in Assen het levensechte Derelict Woman uit 1973 te zien. Het beeld is gemaakt van beschilderd polyester en fiberglass, en met echte kleding aangekleed. Een mistroostig ogende vrouw ligt in een ongemakkelijke houding met gesloten ogen op haar rug op de grond. Haar buik is schaamteloos ontbloot. Haar hoofd, dat haast geknakt lijkt, steunt nog net onderaan tegen de tentoonstellingswand. De smoezelige vrouwfiguur, met het voorkomen van een armoedige zwerver, illustreert zonder twijfel de sociale ongelijkheid binnen de Amerikaanse consumptiemaatschappij.
            Aangrijpend en confronterend is ook de Ektachrome druk, getiteld Felix, June 5 van conceptueel kunstenaar, beeldhouwer en fotograaf AA Bronson (1946), te zien in Emden. Niets verhullend toont dit werk het uitgemergelde gezicht van een ten dode opgeschreven aidspatiënt. In Emden zijn tevens enkele feministisch getinte collages te zien van Martha Rossler (1943) uit haar bekende serie House Beautiful. Bringing the War Home van 1967-72, waarin ze aan de kaak stelt hoe de Amerikaanse massamedia de Vietnam oorlog de huiskamer binnen brachten via televisie en glossy tijdschriften.

Stone Roberts, Grand Central Terminal. An Early December Noon in the Main Concourse, 2009-12, olieverf op doek, 188 x 193 cm, William Louis-Dreyfus Foundation (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)
Stone Roberts, Grand Central Terminal. An Early December Noon in the Main Concourse, 2009-12, olieverf op doek, 188 x 193 cm, William Louis-Dreyfus Foundation (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)

Lichtere kost

Na het voorafgaande zou je de indruk kunnen krijgen dat er uitsluitend zware onderwerpen te zien zijn op de tentoonstelling. Dat is echter niet het geval. De tentoonstellingmakers hebben ook ruimte gegeven aan luchtiger taferelen. Zo werpt een gedeelte van de tentoonstelling een licht op het alledaagse leven in de stad. Indrukwekkend, vanuit het oogpunt van ambachtelijk vakmanschap gezien, zijn een drietal monumentale olieverfschilderijen van Stone Roberts (1951). Een daarvan hangt in Assen, de andere twee zijn in Emden te zien. De kunstenaar stelt zijn gecompliceerde composities, zoals Grand Central Terminal. An Early December Noon in the Main Concourse, samen op basis van eigengemaakte foto’s van het leven in de stad New York. Naast dit soort genrestukken zijn er tientallen stillevens te zien, waarin consumptiegoederen de composities bepalen.
            Van Don Jacot (1949) is er het grote schilderij Flash Gordon uit 2007, waarop we een felrood gekleurd uitvergroot stuk metalen speelgoed zien van de schietende comic held Flash Gordon, gezeten in zijn ‘rocket fighter.’ Van beeldhouwer Jud Nelson (1943) is er in Assen een levensgroot opgevouwen overhemd te zien uit 1985. Het is in detail uitgevoerd inclusief gesteven board, knoopjes en een borstzak. In Emden valt van zijn hand een nog niet uitgepakte WC rol te bewonderen. De beide beelden zijn uitgevoerd in maagdelijk wit Carrara marmer.
            Van het Amerikaanse fotorealisme zijn een aantal typerende werken te zien, zoals het grote schilderij Newsstand van Ken Keeley (1946) uit 1989, waarop minutieus het geordende vooraanzicht van een volledige tijdschriftenkiosk is afgebeeld, met de covers van bladen als Elle, Forbes, Life, Playboy, The New Yorker, Time en Vogue. In dezelfde sfeer is er het schilderij Silver Shoes van Don Eddy (1944) uit 1972. We zien een glimmende etalage van een schoenenwinkel met daarin uitgestald paren zilverkleurige en andere geprijsde damesschoenen. Natuurlijk ontbreekt ook de reflectie van langsrijdend autoverkeer in de winkelruit niet, een nadrukkelijk handelsmerk van deze vorm van Amerikaans realisme uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw.
 

Misschien wat gewaagd, maar toch geslaagd

Er is de nodige kritiek mogelijk op de overigens dappere poging van de beide middelgrote musea om het belang van het Amerikaanse realisme uit de periode 1945 – 2017 voor het eerst op deze grotere schaal onder de aandacht te brengen in Europa. De tentoonstellingsmakers gaan er prat op dat dit een primeur betreft.
            In Assen spat het educatief enthousiasme nogal nadrukkelijk van de inrichting van de tentoonstellingszaal af. Het Drents museum heeft haar deel, dat de periode 1945-1965 beslaat, in haar grote nieuwe ruimte ondergebracht, dat voor de gelegenheid is opgedeeld in een aantal smalle straatjes. De vele verklarende teksten, tijdslijnen, filmbeelden en ingebouwde monitors met bewegend beeld op de wanden, leiden de aandacht vooral in het midden van de zaal, helaas nogal hinderlijk af van de tentoongestelde kunst. Kunstwerken hebben vanwege de decorachtig Amerikaans aandoende ietwat schreeuwerige inrichting niet altijd de ruimte gekregen, die ze verdienen. In Emden is er meer rust in de presentatie. Het museum heeft een tiental zalen aan de tentoonstelling gewijd. En elke zaal op heldere wijze zijn eigen thema meegegeven. Tijdlijnen en uitleg via monitors en te beluisteren muziek zijn samengebracht in een aparte zaal, zodat de kunstwerken in de andere zalen voor zich kunnen spreken.

Andy Warhol, Paul Anka, 1976, acrylverf en zeefdrukinkt op doek, 101.5 x 101.5 cm, Hall Collection  (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)
Andy Warhol, Paul Anka, 1976, acrylverf en zeefdrukinkt op doek, 101.5 x 101.5 cm, Hall Collection (Deze afbeelding is ter beschikking gesteld voor de pers door het Drents Museum)

De musea hebben er voor gekozen om de tentoongestelde werken te presenteren aan de hand van categorieën. De indeling daarvan loopt min of meer parallel aan gangbare kunsthistorische indelingen in genres. Zo richt een deel van de tentoonstelling zich op de mens. Daar vallen portretten onder, onder andere van de hand van Andy Warhol (1928-1987), Chuck Close (1940) en Diane Arbus (1923-1971). Er is ook een gedeelte dat een licht werpt op het plattelandsleven en de Amerikaanse natuur. Hier zijn onder meer landschappen en plattelandstaferelen opgenomen van de magisch realist Andrew Wyeth (1917-2009). Deze Amerikaan oogstte in de jaren veertig en vijftig, de periode dat de abstracte kunst als avant-gardestroming de boventoon voerde, veel succes in de Verenigde Staten.
            Als je met alle geweld kritiek wilt hebben dan zou je verder kunnen klagen over de wisselvalligheid van het nivo van de tentoongestelde kunstwerken. Anders gezegd, er zouden nog wel wat extra tot de verbeelding sprekende topstukken bij hebben gemogen, in ruil voor werken, die misschien net iets te gemakkelijk door de ballotage zijn gerold. Zo zou een reusachtige opblaasbare hamburger van Claes Oldenburg beslist niet misstaan binnen het concept van de tentoonstelling. Het zou direct ingeruild mogen worden voor de marmeren wc rol. Het gemis valt beslist op als je kritisch kijkt naar de tentoongestelde werken van de grote popartkunstenaars. Waar zijn bijvoorbeeld de monumentale enorme fluorescerende portretten van Elvis Presley of Marilyn Monroe? We moeten het op deze tentoonstelling helaas doen met, oneerbiedig gezegd, tweederangs Warhols. Van Oldenburg zijn er slechts enkele teleurstellende piepkleine gipsen schuimgebakjes te zien. In het geval van Roy Lichtenstein moeten we genoegen nemen met zeefdrukken achter glas, in plaats van met originelen. Natuurlijk is het niet echt verwonderlijk, als je bedenkt dat we in een tijd leven dat een net ontdekte Leonardo da Vinci vierhonderd miljoen dollar opbrengt. De gekte op de kunstmarkt heeft tot torenhoge prijzen geleid en dus ook voor onbetaalbare transportverzekeringen, om over de daaraan gekoppelde verzekeringsvoorwaarden nog maar te zwijgen. Het is dus waarschijnlijk vooral een budgetkwestie. Vanuit deze nuchtere constatering beschouwd, hebben de twee ambitieuze musea, die de handen ineen hebben geslagen, toch een zeer achtenswaardige prestatie geleverd met ‘The American Dream’.
            Naast het werk van grote kunstenaars als Arbus, Charles Atlas, Close, Eric Fischl, Hopper, Lichtenstein, Oldenburg, Richard Prince, Larry Rivers, Rossler, George Segal, Cindy Sherman en Warhol, is er werk te zien van nog zeker vijftig in Europa nog tamelijk onbekende Amerikaanse kunstenaars, die wel degelijk een introductie verdienen. Het is beslist de moeite om de verleiding van The American Dream in Assen en Emden aan te gaan. De musea hebben er kennelijk veel vertrouwen in dat de tentoonstelling goed zal landen, want de dubbeltentoonstelling is geprogrammeerd tot en met 27 mei 2018.
 
 

The American Dream, Amerikaans Realisme 1945-1965, Drents Museum Assen en The American Dream, Amerikanischer Realismus 1965 bis 2017, Kunsthalle Emden, 19 november 2017 tot en met 27 mei 2018.