Postimpressionisme

Tussen impressionisme en fauvisme

Van onze redactie
 
De term postimpressionisme werd in 1910 geïntroduceerd door de Engelse kunstcriticus en kunstschilder Roger Fry in verband met een expositie in Londen van de toenmalige avant-garde uit Parijs. Fry wilde met de term aangeven dat de kunst van de exposanten een relatie had met het impressionisme, omdat het er uit was voortgekomen of omdat het er een duidelijke reactie op was.

Paul Cézanne, Stilleven met mand met appels, ca. 1895, olieverf op doek, 61.9 x 78.7 cm, Art Institute Chicago
Paul Cézanne, Stilleven met mand met appels, ca. 1895, olieverf op doek, 61.9 x 78.7 cm, Art Institute Chicago

Op de expositie in Londen, welke werd gehouden in de Grafton Galleries, was ondermeer werk te zien van Cézanne, Derain, Gauguin, Van Gogh, Manet, Matisse, Picasso, Redon, Rouault en Seurat. De term postimpressionisme werd een term voor het werk van kunstenaars, die in de periode tussen het impressionisme en het doorbrekende fauvisme rond 1905 werkten en als de nieuwe avant-garde konden worden beschouwd. Aangestoken door de gedurfde nieuwe beeldtaal van de impressionisten, experimenteerden deze kunstenaars met beeldelementen als vorm, lijn en kleur, met schildertechnieken, met expressie en met nieuwe inspiratiebronnen met betrekking tot de inhoud van hun kunst. Was het kleurgebruik van de impressionisten al gedurfd ten op zichtte van het realisme in de periode ervoor, de postimpressionisten gingen fellere en meer heldere kleuren gebruiken. De kleur werd soms al losgekoppeld van de waargenomen realiteit. Van Gogh schreef dat hij 'kleur op een meer willekeurige manier ging gebruiken, zodat hij zichzelf krachtiger kon uitdrukken'. Postimpressionisme staat vooral voor een tijdsperiode, maar niet een periode met een uniforme stijl. Binnen de vernieuwende tendensen in de postimpressionistische periode, welke ongeveer tussen 1984 en 1905 gedateerd kan worden, zijn vier tendensen waarneembaar. Een algemene tendens was dat kunstenaars systematischer te werk gingen dan de impressionisten, minder improviserend, bijvoorbeeld uitgaande van een vaststaande kleursymboliek. Opgemerkt kan worden dat enkele kunstenaars aan meerdere van de hieronder te bespreken tendensen een bijdrage hebben geleverd.

Vincent van Gogh, Korenveld met cipressen, oktober 1889, olieverf op doek, 73 x 92 cm, National Gallery, Londen
Vincent van Gogh, Korenveld met cipressen, oktober 1889, olieverf op doek, 73 x 92 cm, National Gallery, Londen

Vier vernieuwende tendensen

Allereerst is er een tendens, waarbinnen de nadruk komt te liggen op lijn en kleur in relatie tot expressie. Tot deze postimpressionistische tendens kan het werk van ondermeer Van Gogh en Edvard Munch gerekend worden. Deze kunstenaars zijn voorlopers van het expressionisme, dat kort na de postimpressionistische periode ontstond. Een tweede tendens bestaat uit het benadrukken van inhoudelijke symboliek en het abstraheren van vorm en kleur. Een voorganger in deze vernieuwende tendens is Paul Gauguin, die een stijl ontwikkelde, die hij het synthetisme noemde. Zijn experimenten, samen met die van de Nabis en de School van Pont-Aven kristalliseren uit in de stroming van het symbolisme. Een derde tendens is het creëren van een beeldtaal, waarin penseelvoering, het opbrengen van verf en het verfoppervlak van een schilderij centraal komen te staan. Het gaat hier vooral om de schilders Georges Seurat en Paul Signac, waarvan de stijl door criticus Félix Fénéon aangeduid werd als neo-impressionisme, dat ook wel bekend staat als pointillisme of divisionisme. Seurat en Signac schilderden met kleine stippen of korte verfstreekjes in pure kleur. De laatste tendens waarmee geëxperimenteerd wordt tijdens het postimpressionisme is een kritische reactie op het impressionisme, waarin de voorstelling van de wereld enigszins diffuus was geworden. De vorm moest weer tastbaarder worden in de schilderkunst. Paul Cézanne is de belangrijkste vernieuwer binnen deze tendens van het postimpressionisme. Zijn ambitie was om 'het impressionisme te verduurzamen, zoals de kunst in de musea'. Hij hield zich naast vorm bezig met de toepassing van verschillende perspectivische standpunten binnen één voorstelling, omdat hij zich ervan bewust was dat tijdens de waarneming het lichaam en het hoofd van de kunstschilder steeds van positie veranderd, en samen met het hoofd ook de ogen. Zie zijn schilderij Stilleven met commode uit 1883-87 als voorbeeld. Met zijn experimenten met een meervoudig perspectief is Cézanne de voorloper van het latere kubisme van Braque en Picasso.
 

Maurice Denis, Vrouw in het blauw, 1899, olieverf op doek, 37.5 x 33 cm, privécollectie
Maurice Denis, Vrouw in het blauw, 1899, olieverf op doek, 37.5 x 33 cm, privécollectie

De weergave van wat men ziet voorbij

Wat de genoemde tendensen als gemeenschappelijk kenmerk hebben, is het streven om meer weer te geven in een schilderij, dan wat louter waargenomen wordt. Er is plaats voor het gevoel, voor persoonlijke interpretatie van de zichtbare werkelijkheid, voor schilderkunstige experimenten met formele eigenschappen als vorm, kleur en compositie. Kunstenaars als Henri de Toulouse-Lautrec en Van Gogh lieten zich inspireren door de kalligrafische lijnen van de Japanse prentkunst, welke tijdens de (post)impressionistische jaren populair was in Parijs. Van Gogh zou in de laatste drie jaar van zijn leven een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkelingen binnen het postimpressionisme. De schilderkunst en toegepaste kunst van de Jugendstil, waarin het beeldelement lijn een dominante rol vervulde, inspireerde De Toulouse-Lautrec en andere kunstenaars van het postimpressionisme. Met de richting van de toets probeerde de nog jonge Cézanne in zijn portretten van zijn oom de bouw van de schedel te benadrukken. De richting van de toets en de verfdikte van de individuele toets bleken een probaat middel om de dynamiek binnen een schilderij te beïnvloeden. Met dergelijke mogelijkheden werd door de kunstenaars van het postimpressionisme geëxperimenteerd. Cézanne ontwikkelde bijvoorbeeld zijn 'passage' techniek. Een consequent toegepaste gearceerde groep van verftoetsen, welke de ruimtelijkheid van het schilderij verminderde en daardoor het tweedimensionale karakter van een schilderij versterkte. Deze postimpressionistische experimenten met de richting, dikte en dynamiek van de verftoets, waarmee men overigens in de periode van de romantiek al voorzichtig was begonnen, brachten enkele postimpressionisten - zoals Gauguin en de Nabis - in contrast tegenover egale kleurvlakken. Dergelijke contrasten zouden door kunstenaars van latere stromingen zoals het expressionisme, fauvisme en futurisme echter extremer worden toegepast. Kunstenaars, die ook tot het postimpressionisme kunnen worden gerekend, voor zover nog niet genoemd zijn: Emile Bernard, Pierre Bonnard, Maurice Denis, Charles Laval, Maurice Prendergast, Paul Sérusier, Theo van Rysselberghe, Maurice Utrillo, Suzanne Valadon en Édouard Vuillard.
 

SCHILDERIJEN POSTIMPRESSIONISME