Dadaïsme

Afgeleid van 'dada', het stamelwoordje van een klein kind. Bedacht door de Duitse schrijver Hugo Ball, die was gevlucht uit zijn vaderland, naar het neutrale buurland Zwitserland. Er bestaan overigens ook andere theorieën over waar het begrip dada vandaan komt. Hoe, dan ook, het is sinds 1916 de aanduiding gebleven, voor een groep beeldend kunstenaars en literatoren rond het Cabaret Voltaire in Zürich, en voor gelijktijdige en gelijksoortige ontwikkelingen in Barcelona, Berlijn, Hannover, Keulen, New York en Parijs.

Marcel Duchamp, L.H.O.O.Q. (Mona Lisa met snor), 1919, kleur-reproduktie, 19,5 x 12,5 cm (Musée National d'Art Moderne, Parijs)
Marcel Duchamp, L.H.O.O.Q. (Mona Lisa met snor), 1919, kleur-reproduktie, 19,5 x 12,5 cm (Musée National d'Art Moderne, Parijs)

Het dadaïsme was een culturele beweging die tijdens de Eerste Wereldoorlog in het neutrale Zwitserland begon. Als stroming kende het tussen 1916 en 1924 zijn belangrijkste periode. De aangesloten kunstenaars stelde zich ten doel om radicaal terug te keren naar hun eigen kinderlijke creativiteit en een uitingsvorm toe te passen, als die van kinderen. Hun creaties gingen in principe in tegen alle traditionele uitingsvormen. De zinledigheid van de toenmalige ingestorte wereld als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, wilden zij in de eerste plaats benadrukken. De kunstenaars waren geraakt door de oorlog, die was uitgemond in een zinloze, eindeloze en buitengewoon wrede loopgravenoorlog. Hugo Ball schreef in 1915 in zijn dagboek: 'de mens wordt verward met een machine.' Ze bespotten daarom op brutale en schokkende wijze ook de bestaande situatie in de kunstwereld, met als doel de schijnheilige waarden van de toenmalige 'beschaafde' wereld onder de aandacht te brengen. Het benutten van het toeval was een belangrijk creatief principe in de kunstuitingen van de dadaïsten, die in de beeldende kunst de collage en de assemblage toepasten. Hans Arp bijvoorbeeld maakte abstracte composities van uit papier geknipte vormen, die hij willekeurig liet vallen op een ondergrond en vervolgens vast plakte, waar ze waren gevallen. In de poëzie schreven de dadaïsten absurde gedichten vol onzin, soms slechts bestaande uit pure klankuitingen.

Het einde en de invloed van Dada

In Parijs, waar het dadaïsme kort bloeide met vele exposities, begin jaren twintig, ontstond er onenigheid tussen André Breton en de Roemeense dichter Tristan Tzara, één van de initiatiefnemers en theoretici van Dada van het eerste uur. Toen Breton, in 1924, zijn 'Premier manifeste du Surréalisme' uitbracht, betekende dit meteen het einde van de anarchistische stroming van het dadaïsme. Deze destijds weliswaar opzienbarende stroming wordt tegenwoordig daarom door velen vooral beschouwd als voorloper van het surrealisme. Ondanks de negatieve uitingsvormen en het afwijzen van beeldende esthetiek, heeft de dadaïstische beweging belangrijke invloed op de verdere ontwikkelingen in de geschiedenis van de moderne kunst gekregen. In Fluxus leefde bijvoorbeeld het idee van complete artistieke vrijheid en de waardering van het irrationele voort. Pop art-kunstenaars werkten net als de dadaïsten vanuit banale motieven en met bestaande industriële materialen, terwijl kunstenaars uit de stroming van de conceptuele kunst in de geest van de dadaïsten vervreemdende combinatie van woord en beeld toepassen.
 

De belangrijkste Dadaïsten

De dada groep bestond in het begin in Zürich uit de Roemenen Tristan Tzara en Marcel Janco, de Elzasser Hans Arp, de Zwitserse kunstenares Sophie Taüber, de Duitsers Hugo Ball en Richard Hülsenbeck en de Nederlander Otto van Rees. Het was Tristan Tzara, die als eerste in zijn geschreven manifesten het begrip dada toepaste. Ook de rest van de groep verspreidde op actieve wijze hun manifesten onder de willekeurig gekozen naam dada. Tegelijkertijd was er aan de overzijde van de oceaan in New York een groep kunstenaars met vergelijkbare kunstuitingen bezig. Het gaat om Marcel Duchamp, die omdat hij afgewezen was voor de Salon des Independants van 1912 in Parijs, was uitgeweken naar de Verenigde Staten, waar hij groot succes oogstte met zijn schilderij Nude Descending a Staircase no. 2 uit 1912 op de Armory Show van 1913. Dit was de eerste groots opgezette internationale expositie van moderne kunst in de verenigde Staten. Naast Duchamp waren Francis Picabia, Walter Arensberg en Man Ray bezig met kunst, die veel weg had van de Europese dada. Zij deden dit vanuit de galerie van fotograaf Alfred Stieglitz. Zij gaven o.a. het tijdschrift 291 uit. In 1917 ontstonden er contacten met de groep van Zürich. In 1921 gaven Marcel Duchamp en Man Ray nog een laatste nummer uit: New York Dada.
Na de Eerste Wereldoorlog verspreidde de beweging zich verder over West-Europa en werden vooral wereldsteden als Berlijn en Parijs de nieuwe centra van dada. In Berlijn sloten kunstenaars als Johannes Baader, George Grosz, Raoul Hausmann en Hannah Höch zich aan. Kurt Schwitters creëerde in Hannover collages onder de naam Merz, een kruizing tussen het Duitse woord 'schmerz' en het Franse woord 'merde'. Hij maakte het van afval, dat hij van de straat opraapte. De in Keulen wonende en werkende kunstenaar Max Ernst, bevriend met Hans Arp, werd ook dadaïst. In Parijs tenslotte vormde literator André Breton de spil van het dadaïsme. Naast hem waren Louis Aragon, Philippe Soupault en Paul Eluard daar de actiefste dadaïsten. In Nederland was Theo van Doesburg korte tijd actief als dadaïst.