Conceptuele kunst

Geïnspireerd door 'Fountain' van Marcel Duchamp


Van onze redactie

Joseph Kosuth, One and Three Chairs, 1965-66, houten klapstoel, foto van een stoel, en uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek, Larry Aldrich Foundation, Museum of Modern Art, New York
Joseph Kosuth, One and Three Chairs, 1965-66, houten klapstoel, foto van een stoel, en uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek, Larry Aldrich Foundation, Museum of Modern Art, New York

Conceptuele kunst kan vele vormen aannemen. Het kan gepresenteerd worden als installatie, in de vorm van een performance, als object, als foto of door middel van videokunst. De verschijningsvorm is voor de conceptuele kunstenaars niet van primair belang.
De kunstbeweging verrees omstreeks de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Kunstuitingen van de Amerikaanse pop art kunstenaar Robert Rauschenberg, de performances van de Franse kunstenaar Yves Klein en de acties van de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni droegen bij aan de stormachtige ontwikkeling van conceptuele kunst aan het einde van de jaren zestig. Legendarisch is ook zijn Socle du Monde uit 1960. Maar de absolute inspiratiebron was de Franse dadakunstenaar Marcel Duchamp. Hij speelde al in de jaren twintig met de concepten taal en beeld en introduceerde bovendien de readymade, een kunstwerk dat bestaat uit een al gefabriceerd object. Iconisch is zijn Fountain uit 1917: een urinoir, gekanteld opgesteld en gesigneerd als ware het een traditioneel kunstwerk. Het deed de toenmalige kunstwereld op zijn grondvesten schudden.

In het vroege conceptuele werk van de Amerikaanse kunstenaar en fotograaf Joseph Kosuth One and Three Chairs uit 1965-66 (zie afbeelding) zien we het gebruik van de taal en het voorwerp terug. Hij presenteert de stoel in drie verschijningsvormen naast elkaar: In het midden een fysieke houten stoel, aan de muur een foto van een stoel en een uitvergroting van de definitie van een stoel uit een woordenboek. Hiermee stelt hij vragen over het concept 'stoel'. Want wanneer is een stoel een stoel? Kunnen we ook spreken van een stoel als we naar een foto kijken van het voorwerp, of naar de definitie in het woordenboek?
 

Marcel Broodthaers, Musée d’art moderne département des aigles, section XIXe siècle, Brussel, 1969
Marcel Broodthaers, Musée d’art moderne département des aigles, section XIXe siècle, Brussel, 1969

Marcel Broodthaers, een Belgische dichter en beeldend kunstenaar, werkt ook met woord en beeld. In zijn huis in Brussel zette hij een ‘Museum van Moderne Kunst, Afdeling Adelaars’ op. Een gedeelte daarvan, de 'Sectie XIXe eeuw', betrof een collectie ansichtkaarten, posters, opslagdozen en inscripties die adelaars weergaven. In 1972 labelde hij ze met de tekst “Dit is geen kunstwerk.” De objecten bleven grotendeels ingepakt en gekrat staan. Ze zijn in die toestand ook in enkele musea geëxposeerd. Hier ontstond de vreemde maar amusante verwarring, dat objecten weliswaar in een museum werden geëxposeerd, terwijl ze voorzien waren van het label "Dit is geen kunstwerk". Hier slaat Broodthaers een brug tussen een beroemd schilderij van Magritte Ceci n’est pas une pipe (1928-29) en Duchamps statement uit 1917 dat zijn urinoir kunst was.
 

De marktwaarde van een idee

Veel conceptuele kunstenaars stapten bewust af van de traditionele ideeën over stijl en schoonheid in de kunst. Ze kozen opzettelijk voor oninteressant lijkende presentatievormen, zoals wiskundige formules. Zo verplichtten ze de beschouwer om zich niet op de uiterlijke vorm te richten, maar op het achterliggende idee. Bovendien zetten ze daarmee de kunstmarkt buiten spel, want als een kunstwerk ‘slechts’ bestaat in de vorm van een idee, dan is dat vanzelfsprekend moeilijk verkoopbaar. Veelzeggend is het citaat van Lawrence Weiner, de kunstenaar die in 1968 het schilderen liet voor wat het was en zich volledig op de geschreven tekst toelegde:
“Vanaf het moment dat je een van mijn werken beseft, is het jouw eigendom. Het is voor mij onmogelijk om in iemands hoofd te kruipen en het werk eruit te halen.”
(bron: Amy Dempsey, Encyclopedie van de moderne kunst: Stijlen, Scholen, Stromingen, Zwolle, 2002)
 

Het einde van de conceptuele kunst

Halverwege de jaren zeventig beleefde de conceptuele kunst zijn hoogtepunt. Niet lang daarna kwamen andere kunstenaars op, die werkten in een neo-expressionistische stijl. Zij hechten meer belang aan het uiten van emotie, dan aan het idee en uiten zich weer op een meer traditionele manier door met verf te schilderen op doek.
Belangrijke kunstenaars van de conceptuele kunst naast de in dit artikel genoemde zijn verder Sol Lewitt, John Cage, Walter de Maria, Robert Smithson en Bruce Nauman (zie van Nauman het kunstwerk Self Portrait as a Fountain). Nederlandse kunstenaars die gerekend worden tot de conceptuele kunst zijn Jan Dibbets, Ger van Elk en Marinus Boezem.