Élisabeth Vigée-Le Brun (1755-1842)

Van onze redactie
 

Dochter van kunstschilder Louis Vigée, trad Élisabeth Vigée met groot succes in haar vaders voetsporen. Ze werd opgenomen in het kunstenaarsgilde van de Académie de St. Luc te Parijs en studeerde bij de kunstschilder Gabriel Briard Ze ondervond steun en aanmoediging van bekende kunstenaars uit haar tijd als Joseph Vernet, Hubert Robert en Jean-Baptiste Greuze. In 1776 trouwt ze met kunstschilder en kunsthandelaar Jean Baptiste Pierre Le Brun. Ze behoort tot de meest succesvolle portretschilders van de achttiende en negentiende eeuw.

toegeschreven aan: Élisabeth Vigée-Le Brun, Marie Antoinette in a Muslin dress, na 1783, olieverf op doek, 92.7 × 73.1 cm, National Gallery of Art, Washington, D.C.
toegeschreven aan: Élisabeth Vigée-Le Brun, Marie Antoinette in a Muslin dress, na 1783, olieverf op doek, 92.7 × 73.1 cm, National Gallery of Art, Washington, D.C.

Vigée-Le Brun schilderde in de stijl van het rococo en neoclassicisme portretten van de hoge Franse adel en van de leden van het koningshuis. Beroemd zijn vooral haar zelfportretten en een dertigtal portretten van koningin Marie-Antoinette. Het bekendst zijn misschien de portretten van de koningin uit 1779, 1783 en 1786 (zie afbeelding), waarbij deze een roos vast houdt. De goede verstandhouding die de kunstenares met de koningin onderhoudt leidt er toe, dat deze zich persoonlijk inspant om Vigée-Le Brun toegelaten te laten worden tot de Académie Royale de Peinture et de Sculpture, de meest prestigieuze professionele vereniging van kunstenaars van Frankrijk. Dit lukt in 1783 en de kunstenares wordt lid als historieschilder. Vigée-Le Brun was waarschijnlijk vooral zo populair bij de adel en hofhouding als portrettist omdat zij steevast elegante en flatteuze portretten wist te schilderen, onder andere van de hertogin de Polignac, Madame du Barry, gravin Skavronskaia en Hyacinthe-Gabrielle Rolan. In het werk van Vigée-Le Brun zijn zowel invloeden zichtbaar van de Franse neoclassicist Davidals van de Vlaamse barokschilder Rubens. De invloed van David is goed te zien in haar zelfportret uit 1800, dat zich bevindt in museum de Hermitage in St. Petersburg.
In 1789, als de Franse revolutie uitbreekt, vlucht de kunstenares vanwege haar betrekkingen met de adelstand naar Italië. Desondanks weet ze haar carrière als kunstschilder succesvol voort te zetten. Ze bezoekt vervolgens adellijke families en grote Europese vorstenhuizen, waarvoor ze ook weer vele portretten in opdracht realiseert. Ze verblijft in Wenen in 1792, bezoekt Tjecho-Slowakije en gaat naar Rusland in 1795, waar ze keizerin Catherina II ontmoet en waar ze zes jaar blijft. Ze gaat vervolgens naar Duitsland en Berlijn, daarna keert ze in 1802 terug - na een periode van ballingschap van circa twaalf jaar - naar Frankrijk, waar ze geniet van haar succes en een bekendheid, welke zeer ongebruikelijk was voor vrouwen in haar tijd. Tussen 1803 en 1805 woont en werkt ze vervolgens in Londen, om definitief in Parijs terug te keren in 1805.
Vigée Le Brun publiceert haar memoires, getiteld 'Souvenirs', in drie delen tussen 1835 en 1837. In 1842 sterft ze op hoge leeftijd in haar landhuis te Louveciennes aan de rand van Parijs. Ze heeft een imposant oeuvre van ruim 600 portretten en 200 landschappen nagelaten, welke zich wereldwijd bevinden in toonaangevende musea zoals het Louvre, het Paleis van Versailles, het Museum van San Francisco, het Museum of Fine Arts te Boston, De National Gallery of Art te Washington en de Hermitage te St. Petersburg.