Eduardo Paolozzi (1924 – 2005)

Van onze redactie
  
De Schotse beeldhouwer Eduardo Paolozzi wordt beschouwd als één van de voorlopers van pop art, naast Richard Hamilton en de jongere kunstenaar Peter Blake. Paolozzi is de enige die zich bezighield met driedimensionale kunst in relatie tot de Britse pop art.

Eduardo Paolozzi, De laatste der idolen, 1963, aluminium, olieverf, 244 x 71 x 64 cm, Museum Ludwig, Keulen
Eduardo Paolozzi, De laatste der idolen, 1963, aluminium, olieverf, 244 x 71 x 64 cm, Museum Ludwig, Keulen

De vroege collages van Paolozzi, die hij maakte in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, worden wel geclassificeerd als ‘proto-pop’. Al in 1947 gebruikte hij het woord ‘pop’ in zijn collage I was a Rich Man’s Plaything. Dat was bijna tien jaar vóór het over het algemeen beschouwde ‘eerste pop art kunstwerk’ van Hamilton, Just What Is It That Makes Today’s Homes So Different, So Appealing?, waarin ook het woord 'pop' opduikt.
Aanvankelijk liet Paolozzi zich beïnvloeden door het surrealisme en de kunstenaars Giacometti en Jean Dubuffet. Toen hij van 1947 tot 1950 in Parijs woonde, werd hij sterk aangetrokken door de advertenties in Amerikaanse tijdschriften. In Parijs ontmoette hij onder andere Hans Arp, Constantin Brancusi, Dubuffet en Giacometti. Hij was ook geïnteresseerd in het dadaïsme. Halverwege de jaren vijftig maakte hij robotachtige installaties uit brons, dat hij goot op basis van gevonden voorwerpen, zoals batterijen, turbines en krukassen. De keuze voor het toepassen van gevonden voorwerpen illustreert de verwantschap met het dadaïsme en het surrealisme. In de jaren zestig paste hij de lastechniek toe, waarmee hij onder meer sculpturen maakte, die iets weg hadden van buitenaardse, mensachtige machines. De relatie tussen kunst en technologie fascineerde hem steeds meer, gestimuleerd door de Independent Group, waartoe onder andere Richard Hamilton, de architecten Alison en Peter Smithson en de criticus Lawrence Alloway behoorden. Zij kwamen regelmatig bijeen aan het Institute of Contemporary Arts in Londen, en hadden daar gesprekken over de opkomende populaire massacultuur. Hun gezamenlijke interesse was om populaire uitdrukkingsvormen op zodanige wijze te integreren in kunst en architectuur, dat deze net zoveel aantrekkingskracht zou hebben op de grote massa, als de massacultuur zelf.
In 1964 had Paolozzi een solotentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York. Ook is zijn werk op toonaangevende internationale overzichtstentoonstellingen gepresenteerd, zoals op de Documenta van Kassel (nummer 2, 3, 4 en 6) en op de Biënnale van Venetië in 1960.